II.
Maar hoe? zult ge, o Samaritaan!
Zult gij dan tot den vreemde gaan,
En gieten balsem in zijn wonden?
En zal intusschen Sichems kroost
Verkwijnen uit gebrek aan troost,
Met zijn kwetsuren onverbonden?
Gaat gij met wijn en artsenij
Den broeder liefdeloos voorbij?
O neen, gij trouwe Herder! neen!
Gij zoekt langs berg en afgrond heen
Ook 't afgedwaalde schaap der kudde,
En brengt het tot de schaapskooi weêr.
Slaat Jeschurun den trouwen Heer,
Wiens juk het van de schoudren schudde,
Gij spant met vriendelijk stemgestreel
d'Ontrouwe weêr in 't zacht gareel.
O wèl u, Christen! die in 't end
Uw dure roeping hebt erkend,
Om over den gedoopten Heiden
U meê te erbarmen, en den zoon,
Die zich als bastaard stelt ten toon,
Weêr naar den Vader heen te leiden.
Verlangt gij naar die kroon? welnu!
De Binnenzending wacht op u!