Skip to content
1859

Winde-kelken

J.P. Hasebroek

Eerste tusschenzang.

de weezen alleen. Liefde Gods, wat milde stroomen Zijn uit de heilbron voortgekomen,

Die ge in ons Huis ontspringen deedt! Welk een talloos kroost der armen Vond daar het liefderijkst erbarmen, Werd daar onthaald, gespijsd, gekleed! Het had geen ouders meer, 't Vond vaders, moeders weêr. Abba, Vader! Uw vaderzin, Uw menschenmin Vloeide uit uw Geest hun harten in.

Grooter heil zag onze woning, Toen ge ook bij ons, o Hemelkoning, Uw rijk en zetel hebt gesticht: Toen zoo groot een schaar van Weezen Daar vroeg den Schepper leerde vreezen, Door velen reeds aanschouwd in 't licht. De hemel hoort hun dank, Als de aarde ons lofgeklank. Abba, Vader! Hun englentoon

Smelt zacht en schoon In 't danklied, u door ons geboôn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Winde-kelken · J.P. Hasebroek · Poetry Cove