Eerste tusschenzang.
de weezen alleen.
Liefde Gods, wat milde stroomen
Zijn uit de heilbron voortgekomen,
Die ge in ons Huis ontspringen deedt!
Welk een talloos kroost der armen
Vond daar het liefderijkst erbarmen,
Werd daar onthaald, gespijsd, gekleed!
Het had geen ouders meer,
't Vond vaders, moeders weêr.
Abba, Vader!
Uw vaderzin,
Uw menschenmin
Vloeide uit uw Geest hun harten in.
Grooter heil zag onze woning,
Toen ge ook bij ons, o Hemelkoning,
Uw rijk en zetel hebt gesticht:
Toen zoo groot een schaar van Weezen
Daar vroeg den Schepper leerde vreezen,
Door velen reeds aanschouwd in 't licht.
De hemel hoort hun dank,
Als de aarde ons lofgeklank.
Abba, Vader!
Hun englentoon
Smelt zacht en schoon
In 't danklied, u door ons geboôn.