II.
‘Voort! altijd voort!’ - Met bliksemvaart Voert u, Ségur, uw moedig paard Langs 't slagveld, door een kogelregen Staâg nieuwe krijgstriomfen tegen! Ha! Hoeveel jaren achtereen Droeg hij u reeds door 't krijgsvuur heen, Van uit Parijs, langs honderd velden, Die Frankrijks zegepralen meldden; En immer, immer even trouw Den meester, die hem kiezen woû, En immer, immer even moedig, In elken slag, hoe heet of bloedig!
Neen! d'Arabier der zandwoestijn Kan zelfs zijn ros niet dierbrer zijn; Dat ros, naar d' aard dier strijdbre rassen Gansch met zijn ruiter saamgewassen, Of mensch en dier niet meer een paar, Maar 't menschpaard van de fabel waar'?
Zoo streeft ook thans het puik der helden, O Ukra! langs uw barre velden, Waarop de Noordsche winter troont, Die in zijn ijspaleis er woont. 't Geldt nu den Rus! Ook hij moet dalen, En 't licht, dat zelfs de pool ziet stralen, Zien schuilgaan voor de gouden ster, Die Austerlitz hem toont van ver! De stem des Keizers riep zijn benden, - Neen, riep zijn volken heen naar de enden Van 't werelddeel, wier hulde alleen Aan zijn triomf te ontbreken scheen. En bij de duizenden van dapperen, Die de aadlaarsvaan er lieten wapperen, Philippe Ségur, gij 's Keizers vriend, Werd weêr een krans door u verdiend!
‘Voort, voort, mijn ros! den vijand tegen! De hoogte, die ginds rijst, bestegen! Ondanks 't kanon, dat uit zijn mond Zijn bliksemflitsen zendt in 't rond, Voort! voort!’ - en 't ros, door niets te teugelen, Vliegt op zijn beurt met bliksemvleugelen, Totdat op eens.... één knal, één wond.... Ai, zie! de klepper kust den grond!
Ségur! Wat smart, uw hart doorgloeiend, Alsof de purpren bloedstroom, vloeiend, Niet aan de borst uws paards ontvloot, Maar uit uw boezem voorwaarts schoot! Gij treurt, als bij een vriend de broeder.... Neen, meer! als bij haar kind de moeder: En is 't niet naar der liefde wet? Hoe vaak heeft u uw paard gered! Het deelde uw vreugde als waar' 't de zijne; Het droeg uw leed als eigen pijne; Zijn borst uw schild, zijn bliksemvaart Uw redding vaak, zijn moed uw zwaard!
Toch, wat u 't kost, hem te verliezen, Gij moogt niet toeven.... gij moet kiezen! Gij neemt dus van zijn rug het zaâl, Het rijkleed en 't pistool, welks staal De holster bergt, en, scheidensreede, Draagt ge in uw hart uw lievling mede. Zoo nadert gij het wachtvuur, dat U tegenstraalt, verkleumd en mat. Gij zet u bij de beukenstammen, Die u hun koestring tegenvlammen; Maar 't baat niet!.... gij blijft koud en kil, Of 't lichaam niet ontdooien wil; Gij deelt de doodskoû, ginds geleden Door 't voorwerp van uw teederheden!
Maar wat is dit? Een ademtocht, Zwoel als ooit adem wezen mocht, Suist als eens menschen aâm, maar zachter, U langs de koude wang van achter.
't Is of onmerkbaar, heimlijk, stil, Een onbekende u kussen wil...... Gij keert u om... mijn God! kan 't wezen? 't Gewonde paard staat daar, herrezen! Het heeft, door 't heimwee voortgezweept, Zich naar het wachtvuur heengesleept, Door 't duister, over 't slagveld henen, Al hinkende op doorschoten beenen. Nu blijde, als hij zijn meester vindt, Gelijk zijn moeder 't dolend kind, Dat vliegt aan 't hart der minnende ouder, Legt hij zijn hoofd op 's meesters schouder, En slaakt daarbij zoo droef een zucht, Alsof daarin hem 't hart ontvlucht.
Nu kan Ségur zich niet weerhoûen; De held voelt zich de wang bedauwen, En op de wond zijns vriends vloeit zacht Een traandrup neder in den nacht. Straks wendt hij zich om 't paard te streelen En 't liefdeblijken toe te deelen, Dat kreunend van zijn heer ze ontvangt, Die weenend om zijn schouder hangt.
Nog eens een zucht, een kus gelijkend, En dan, door 't bloedverlies bezwijkend, Daar wankt het ros, valt, rekt zijn leên, En - de uiterste adem suizelt heen! En of met 't leven, hem ontvloden, Zich meê zijn meester voelde dooden, Op 't paard gevallen, aâmt hij nauw, - Twee beelden, monument der trouw!
Cookies on Poetry Cove