III.
Ja, glorie verheerlijke ook 't edele dier, In dierengestalte op zijn menschendeugd fier: Het beeld aan de Theems, dat voor Byron verrijst, Vertoont ook den hond, dien het Harolds-lied prijst, En brengt men, Sir Walter, u hulde op uw terp, Men eert ook uw Maja, gevierd door uw harp.
Maar 't huisdier niet slechts, beeld vóór allen der trouw, Waarin 't schier ons, menschen, voorbijstreven zou, Ook 't paard, 's meesters vriend in zijn voorspoed en pijn, Bleek dikwijls den mensch als een naaste te zijn, En vergt op den steen, dien ge op 't slagveld ziet staan, Die meester en dienaar bijeen noemt, een traan.
Ja! de oorlog is vreeslijk, en gave 't de Heer, Men smeedde na dezen geen krijgswapens meer. O Lamech! zonk 't staal weêr voor goed weg in de aard, Waaraan gij 't ontrukte, 't versmedend ten zwaard, En droogde voor goed de rivier eens van bloed, Die lijken als leliën wiegt op zijn vloed!
Maar ook, 't worde erkend: als een licht in den nacht Toont mede, op het slagveld, de liefde haar macht. Als 't glimwormpje, blinkend in 't vochtig moeras, Spreidt Menschenmin stralen op d' aakligen plas, En menschen en dieren, verzaamd in één lot, Weêrspieglen, als schepslen, de liefde van God.
O goddelijk uitzicht! hoe zal 't eens ons zijn, Als de ure verschijnt van het hemelsch festijn? Als geen van Gods schepslen naar wapens meer vraagt, Als 't hagelblank ros slechts een Vredevorst draagt, Terwijl we in zijn hand, op de sneeuwwitte vaan In lettren van goud het woord: Vrede zien staan!
Cookies on Poetry Cove