IV.
Klinkt nog eenmaal, gij harp en gij luit!
Roept der Juublende weldaden uit!
Laat vrij jaren en eeuwen vergaan,
Zelfs dees stichting niet langer bestaan, -
Wat ons letterverbond eens mocht zaaien,
Zal het nakroost nog dankende maaien!
God van licht en van leven omhoog!
Zie ons aan met een heilspellend oog!
Dat men immer de zeegnende stralen
Van uw godlijke gunst
Op der Wetenschap veld, op den bloemhof der Kunst
In ons dierbare Holland zie dalen!