III.
Ja, lieflijk klinkt de blijde klank
Van 't lied van lof, van 't lied van dank,
Voor Wijzen en voor Dichters,
Eens, letterhof, uw Stichters!
Doch hoe somber daartegen klinkt, droevig en dof,
Hier de rouw, op hun lijksteen gerezen!
't Is een wanklank, gemengeld in 't lied van hun lof:
Met een traan wordt hun eernaam geprezen.
Maar die traan lost zich op in het licht,
Dat de feestzon ons straalt in 't gezicht.
Wat ook stierf, niet dier Edelen glorie!
Ze is geboekt op de rol der historie,
En hun naam op de donkere zerk
Prijkt in goud naast den lof van hun werk.