II.
Het heldenfeit van den Franschen knaap.
Zie! op een barricade, in 't midden van de straten, Waarop de strijd hier 't reinst, ginds 't onreinst bloed moest laten, Valt ook een knaapje, twaalf jaar oud, in 's vijands hand. - Zijt gij van de andren? - - Ja, ik streed aan d' andren kant. - - 't Is wel (spreekt de officier) gij zult den kogel krijgen. Wacht maar uw beurt! - Het kind bewaart heldhaftig 't zwijgen, En ziet, hoe al zijn volk dood neêrzijgt langs den muur. Hij spreekt tot d' officier: - Heer, gunt ge mij een uur, Dan breng 'k dit uurwerk aan mijn moeder. - - Wilt ge vluchten? - - O neen, ik kom terug. - (Ze schijnen 't lood te duchten, Die kleine bloodaards!) Zeg, waar woont ge? - In 't huisje op 't plein Daar ginds. Kom, zeg nu ja, en 'k keer straks, kapitein! - Loop, jongen! - 't Kind ijlt heen! Wat strik, dien 't lot hem spreidde!.... Zoo lachen om 't geval ook hoofd- en krijgsman beide, En in dien lach - hoor! mengt zich menig stervenskreet. Maar - welhaast houdt men op met lachen, want daar treedt,
Zie! 't knaapjen aan en plaatst goedsmoeds, zoo kalm als waardig. Zich voor den muur, en spreekt: Hier ben ik; ik ben vaardig.
De bleeke dood had schaamte, en 't krijgshoofd schonk genâ.
Kind! 'k weet niet in 't gewoel, waarin 'k hier duizlend sta, Waarin zich helden en bandieten komen mengen, Wat toch u drong, uw eed dien offerprijs te brengen. Maar 'k zeg: Uw kinderziel is een verheven ziel! Twee stappen deedt ge, sinds uw vrijheid u ontviel, D' een naar uw moeder, naar den dood den ander - 'k groete U dus een held. Aan 't kind hoort de onschuld, ons de boete Voor 't kwaad, dat andren doen, en hij niet keeren kan. Maar 't kind is edel, en 't is dapper, ja, een man, Die, waar hij kans loopt jeugd, spel, leven te verliezen, Daarvoor den muur, waarbij zijn broeder viel, kan kiezen. De glorie kust uw hoofd, o jongske, klein en teêr; En al de helden uit der Grieksche krijgren heer, En al de dapperen van 't zegehaftig Romen Ziet gij, met lauwren in de handen, tot u komen. U kransende met der Leonidassen kroon En 't groen der Scipio's, en groetende u: mijn zoon! Ja, waart ge een Griek geweest, men hadde uw naam geschreven Op 't ijzren schild, waarop uw beeld stond ingedreven, En gij waart een van hen, hoe jong ge ook waart, naar wien De maagden bij de bron bewondrend zouden zien, Terwijl ze, als zij haar kruik naar onder laten dalen, Diep peinzende, haar urn vergeten op te halen!
(Victor Hugo.)
Cookies on Poetry Cove