II.
Het kogelgefluit.
Hoor! hoor! een kogel fluit!
Hoor! hoor! weêr fluit een ander!
Snel volgen zij elkander,
En - alles wordt hun buit.
Hoor, weêr een kogelknal!
Steeds kogels te aller tijde!
Vóór, achter, en ter zijde,
En doodlijk overal!
't Is of we in 't strijdperk staan.
Wie mag de vijand wezen? -
Zie hem uit de aard' verrezen!
Daar is hij! zie hem aan!
Die Schutter, door wiens schot
Er vallen te aller stonde,
Zweeft boven ons in 't ronde:
Ons wacht hetzelfde lot.
Als ons zijn blik ontmoet,
Wij moeten 't leven derven;
En hij, hij kan niet sterven:
Hij voedt zich met ons bloed.
Die veldslag duurt alreê
Van dat de zon, bij 't dagen,
Haar gouden zonnewagen
Deed stijgen uit de zee.
Hij duurt, van dat natuur
Ons 't scheppingslied deed hooren,
Zoet als muziek voor de ooren,
Kort als een zucht in duur!
Hij duurt, van dat de nood
Ons dwong om hier te lijden,
Te leven om te strijden,
Te worden voor den dood!
(J. Olivier.)