I.
Denn mit der Freude Feierklange Begrüsst sie das geliebte Kind, Auf seines Lebens erstem Gänge, Den es in Schlafes Arm beginnt. Das Lied von der Glocke.
Statig klinkt het klokgebrom, Dat de vromen Heen doet stroomen Naar des Heeren heiligdom. Welkom zijn die Sabbathsklanken In der God getrouwen oor, Die naar 't wachtend tempelkoor, Om te bidden, om te danken, Opgaan met geheiligd hart. Welkom is die stem van vrede, Die de stem des Heeren werd, Daar zy oproept ten gebede.
In den tempel wordt het wicht Aan den Hemel opgedragen, Dat eerst sedert luttel dagen De oogen oopnen mocht voor 't licht. Reeds ontsluit zich 't Heiligdom Gastvrij voor den pasgeboren: Christnenchoren Zingen hem het wellekom. Zie het hoe der oudren min, Vroom van zin, 't Wichtjen aan den Heere heiligt: Hoe hun Godgetrouw gemoed 't Wiegjen beter acht beveiligd Aan des heilgen outers voet, Dan wanneer hun liefdrijke armen 't Kind beschermen. De aandrang waarmeê 's moeders borst Nektar bood aan 's zuiglings dorst Wijkt voor d'ijver, die het wichtjen Zorgzaam naar de doopvont torscht; Waar op 't bloeiend aangezichtjen 't Vocht des levens uitgestort, En het kind ter heilging wordt. Heerlijk blinkt dat hemelnat
Op het onschuldwaas van 't kopjen, Zuiver als op 't vlekloos knopjen De onbesmette droppelspat. Naar der oudren vromen wensch, Is de lievling hun gegeven, Thands van mensch Tot eens Christens rang verheven; Is 't door hen geliefde wicht Ingelijfd in hooger orden, - 't Kind Gods kindeken geworden. Hooger licht dan 's levens licht Straalt op 's knaapjens aangezicht. Hooger blijdschap, hooger vreugd, Dan die de oudren heeft verheugd, Dat een kind hun werd geboren, Ziet gy op hun wezen gloren, Nu den Heer Een geloovige te meer Uit hun bloed wordt opgedragen, Waar zy 's Heeren gunst voor vragen. Sprak des Heilands mond weleer: ‘Laat de kindren tot my komen!’ De aarde, ach! draagt geen Heiland meer; Maar de vromen
Voeren in des Heeren huis 't Wichtjen aan den voet van 't kruis. O, Hoe juicht het hart der moeder, Nu haar lievling werd vereend Met des Heeren keurgemeent': Nu hem ieder Christen broeder, Nu hem God ten Vader werd: In haar hart Heeftze een stillen eed gezworen: ‘'t Wichtjen zal den Heer behooren!’
Wèl hem, die met God begint! Ja, aan de aard behoort het kind: Onze jeugd ontfangt geen Eden, Maar wy treden Van des levens uchtendstond Op den vloekgewijden grond. Nochtans noodt in 't aardsch gewemel Ons een heilig plekjen uit, Dat geen aarde is en geen Hemel - Waar de tempel zich ontsluit. Derwaart dus met 't wichtjen heen, Waar de wijrook der gebeên
De ongewijde wanden heiligt: Waar des Levens Welbron vloeit, Die voor Satans macht beveiligt, Wien haar heilvocht heeft besproeid. O, Hoe spoedig zal de schuld 't Nu nog schuldloos hoofdjen drukken, Als de zonde 't hart vervult, Driften 't voor haar macht doen bukken.... Wèl dan wien der oudren zorg Van den borg, Die ons 's Hemels hulp belooft, Niet verwaten heeft beroofd, Maar in hem des knaapjens hoofd Met der Englen wacht omgeven, Die het ongezien omzweven. O, 't waar beter zoo men 't wicht Nimmer spraak of taal deed kennen, Dan zijn lippen niet te wennen Aan 't gebed tot God gericht. Is een stervling ooit welsprekend, 't Is alleen (Waar ook de aarde 't elders rekent) In het uiten der gebeên. Waar een knie zich nederbuigt
Heiligtze en ontzondigt de aard: Waar men Gode dank betuigt - Englen staan rondom geschaard. Zwak de hand die 't krijgszwaard houdt, By wier hand zich biddend vouwt: Zwak de hand die krijg en vrede Over wet gebiedt en recht, By wiens mond na eenvouds bede 't Godgeloovig Amen zegt. Wèl dan wie in 's levens Jeugd Aan den Heer werd opgedragen, En Zijn gunsten leerde vragen En Hem danken voor geneucht! Wèl Hem wien de heilge doop Met gewijden straal bedroop: Wien reeds vroeg het klokgebrom Henen riep ten heiligdom.
Cookies on Poetry Cove