Skip to content
1836

Poëzy

J.P. Hasebroek

II.

En nu - gy vraagt, hoe, arm aan goud en schat, De Zanger, die het brood des onspoeds at Ten loon voor trouw en liefde en zelfverzaking, Het vaderland wijze op zijn erfvermaking? En luttel, wis! is wat ik 't mijne noem. 'k Heb nogthands wat my toebehoort - mijn roem! Schat de erfgift uit uws Dichters hand te ontfangen, Zoo gy 't vermoogt: zijn naam, zijne asch, zijn zangen! Die zijn de mijne. Al wat ooit volksgunst gaf, 't Zij hooggezag of ridderband of staf, Keert in uw schoot by 't sterven weêr. De Dichter, Geen slaaf van gunst, maar eigen Gloriestichter,

Kan schenken, wat geen volk zich eignen mag. Geen eisch des Staats, geen Keizers hoog gezag, Maar slechts de beê der vriendschap kon voorkomen, Dat Maroos lied niet bleef ontrukt aan Romen. Wat my uw gunst en wat geen lot my gaf, Staat u alleen de wil des Dichters af! Waar eens de grond mijn wiegjen heeft gedragen, Kan ook mijne asch voor zich een schuilplaats vragen, Waar me onbenijd, door hoon noch smaad ontrust, De sluimring streele aan de Agrippijnsche kust. 't Graf is alom herbergzaam! Licht heeft de aarde, Als voor de wieg van 't wichtjen, dat zy baarde, Zoo voor zijne asch eens ruimte en schaâuw genoeg. Maar neen! - Wie ooit den vreemde een grafsteê vroeg, Ik wensch alhier te sterven als te lijden, En waar ik streed te rusten van mijn strijden. Neem dan mijne asch en gun haar in uw kust De langontbeerde en afgebeden rust. Zy er mijn lied u by gewijd! uw glorie Vroeg van mijn luit den lofzang der viktorie. Ik ben de stem der roemvolle Eeuw, wier naam By 't nageslacht, op vleuglen niet der Faam, Maar in het lied dat ik haar zong, zal leven. Mijne Ilias heeft Maurits lof verheven:

Mijn mond gaf klank aan Clioos krijgsklaroen, En zal zijn naam by 't nakroost kennen doen. Als ooit de stroom, in 't alvernielend zwelgen, Uw bloeiend oord en steden kon verdelgen, Dat zelfs de plek, waar eenmaal de Amstelstad Zich hief, geheel bedolven lag in 't nat: Dan zou mijn lied, aan d'ondergang ontkomen, Nog steeds uw lof doen klinken langs de stroomen, En, op den vloed ronddrijvende Amstelzwaan, Wees nog het oord, waar ge eenmaal zetelde, aan. Of zoo de Tijd de hooge en trotsche kruinen Der Wareldstad verkeeren mogt in puinen; Nog klonk er 't lied door eeuw by eeuw verschoond, Als de echo, die 't bouwvallig slot bewoont.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Poëzy · J.P. Hasebroek · Poetry Cove