V.
Ziedaar wat vuur my blaakt en zielsverrukking, En hoe de drift my bron werd van verdrukking, Die onverdoofd mijn hart tot zingen drong: En wie dien gloed, dien tijd noch leed bedwong, Den naam van kunst zich ondersta te geven, My werd hy ziel, my leven van mijn leven, Waar denkkracht en gevoel in samenvloot. De vlam werd één met wat haar arm omsloot! Apolloos Zoon en uwer Dichtren Vader Schonk my het lot eene onuitputbare ader, Waaruit u stroom van zangen tegenvloot, Die zelfs den Grijze uit brekend harte schoot.
Ik leerde uw taal Zefiren natefluisteren; Den watervliet het murmlen afteluisteren, Als haar de Liefde een malschen toongalm vroeg; Of als mijn borst van zielsvervoering joeg, By zegepraal gevierd na zegepralen, Die Hollands Leeuw verwinnaar mocht behalen, Ik leende kracht aan d'uitdruk van haar stem. Mijn koopren keel gaf aan haar tongslag klem. De Stroomzwaan, die den Rhijn kwam afgedreven, Heeft aan het IJ de zangwet aangegeven, Die 't nageslacht zal volgen, waar 't akkoord Aan Spaarne of Maas of Amstel word' gehoord! Mijn Zanggodin, geschoeid met purpren broozen, Heeft zich haar throon op 't hoog tooneel verkozen, En er den staf met roem gezwaaid. Aldaar Zal te aller tijd Melpomenees altaar, By 't wijrook haar ten offer aangestoken, Van myrrhe my ter eer geboden, rooken. De koningsharp gaf, in mijn forsche hand, De tonen weêr van 't zangrig Morgenland. Mijn oog heeft in profetische gezichten De Stad aanschouwd, waar voor den throon der Lichten 't Geluid rijst van der Englen lofgezang, En in mijn mond vond 't hemelsch harpgeklank
Een echo voor zijn zielverrukbre galmen. 'k Omvlocht mijn kruin met Nabatheesche palmen. En, - meer! De duif des Heilgen Geestes heeft Klapwiekende om mijn sterflijk hoofd gezweefd, Wanneer mijn harp, - zoo als des Zefirs vingeren Zich strokende om de gouden snaren slingeren, - Door hooger hand beroerd scheen en bespeeld. Nooit heb ik laf den geest der eeuw gestreeld, Of Zeedloosheid en Dwinglandy gehuldigd Door offers Deugd en Vrijheid slechts verschuldigd. Geen ravenschacht des ongeloofs heeft my Ten wiek gestrekt. Hoog steeg mijn Poëzy Op d'adem des gebeds ten Hemel henen, Gewoon om van Gods licht haar gloed te ontleenen. 'k Heb naar geen krans van roos of lauwerblaân, Maar naar de palm van Edens hof gestaan.
Cookies on Poetry Cove