IV.
Doch kenne ik 't leed van 's Dichters zielsbeklemming,
Ik ken, zoo één, het heil ook der bestemming,
Waartoe het lot my op de wareld riep.
Of zoo 't my bron van smart en kwelling schiep,
Neen! ik misken zijn heilgift niet ondankbaar!
Wiens hart, als 't mijn', voor Hemelweelde ontfangbaar,
Heeft ooit die meer dan Englenlust gevoeld,
Die balsemend mijn boezem heeft doorwoeld.
Ja, Poëzy is zaligheid, is leven,
En aan den band des aardschen stofs ontheven
Opstijgen op der liefde zilvren schacht
Tot voor den throon der Godlijke Oppermacht,
Dien andren slechts op vleuglen der gebeden,
Plichtschuldig Haar geheiligd, nader treden.
De Dichter, - als de Duif die de arke ontvloog,
Toen zy naar 't oord als Bode henentoog,
Waar weêr de Palm in bloei stond, - rept de wieken,
En streeft als bô naar 't Hemelsch morgenkrieken,
Van waar hy de aard den palmtak aanvoert, die
Hem toegroende in het rijk der Harmonie.
Hem spreekt een stem in 't murmlen van de baren;
Hem spreekt een stem in 't ruischen van de blâren;
Hem spreken bloem en struik. Geen andre geest,
Die als zijn ziel in 't boek der schepping leest.
Hy eigent zich het koeltjen toe in 't ruischen,
En vergt het voor zijn snaren cijns, zelfs 't bruischen
Van 's onspoeds storm geeft aan zijn woorden klem.
Zoo leent de orkaan de golven taal en stem.