Skip to content
1836

Poëzy

J.P. Hasebroek

Vondels vermaking.

Dat wy als zwanen droef voor onzen ondergangh Met een treurigh geluit u bieden ons gezangh.

VONDEL.

I.

De Zanger, van zijn veege stervenssponde, Draagt Holland, in zijns levens jongste stonde, Zijn afscheid en vermaking op in 't lied Dat bevende van 's grijzaarts lippen schiet. Richt stervensreê de zwaan aan Strymons boorden Heur laatsten groet in tooverzoete akkoorden, Waar 't eerste lied dat ze immer kweelen mocht In saamsmelt met heur uiterst' ademtocht; 'k Vergeet als zy mijn leed en boezemklemmen, Om de elpen luit voor 't jongst vaarwel te stemmen; En zoo de Held zich 't sterven schat tot eer, Waarby de Dood hem aantreft in 't geweer:

In 't zangrig lied den jongsten snik te geven Drukt schooner kroon op 't Dichterlijke leven. Klinkt niet de luit, wanneer een vreemde hand Het koord verbreekt, dat op het snaartuig spant? Zien wy de myrrhe op 't outer aangestoken Niet by 't vergaan in geuren opwaarts rooken? Wat is de Dood voor wie ten Hemel zucht, Wiens ziel alleen verwisslen gaat van vlucht? Klink dus mijn luit! en laat mijn vooze knokkelen Ten afscheidsgroet de vochte snaren tokkelen!

II.

En nu - gy vraagt, hoe, arm aan goud en schat, De Zanger, die het brood des onspoeds at Ten loon voor trouw en liefde en zelfverzaking, Het vaderland wijze op zijn erfvermaking? En luttel, wis! is wat ik 't mijne noem. 'k Heb nogthands wat my toebehoort - mijn roem! Schat de erfgift uit uws Dichters hand te ontfangen, Zoo gy 't vermoogt: zijn naam, zijne asch, zijn zangen! Die zijn de mijne. Al wat ooit volksgunst gaf, 't Zij hooggezag of ridderband of staf, Keert in uw schoot by 't sterven weêr. De Dichter, Geen slaaf van gunst, maar eigen Gloriestichter,

Kan schenken, wat geen volk zich eignen mag. Geen eisch des Staats, geen Keizers hoog gezag, Maar slechts de beê der vriendschap kon voorkomen, Dat Maroos lied niet bleef ontrukt aan Romen. Wat my uw gunst en wat geen lot my gaf, Staat u alleen de wil des Dichters af! Waar eens de grond mijn wiegjen heeft gedragen, Kan ook mijne asch voor zich een schuilplaats vragen, Waar me onbenijd, door hoon noch smaad ontrust, De sluimring streele aan de Agrippijnsche kust. 't Graf is alom herbergzaam! Licht heeft de aarde, Als voor de wieg van 't wichtjen, dat zy baarde, Zoo voor zijne asch eens ruimte en schaâuw genoeg. Maar neen! - Wie ooit den vreemde een grafsteê vroeg, Ik wensch alhier te sterven als te lijden, En waar ik streed te rusten van mijn strijden. Neem dan mijne asch en gun haar in uw kust De langontbeerde en afgebeden rust. Zy er mijn lied u by gewijd! uw glorie Vroeg van mijn luit den lofzang der viktorie. Ik ben de stem der roemvolle Eeuw, wier naam By 't nageslacht, op vleuglen niet der Faam, Maar in het lied dat ik haar zong, zal leven. Mijne Ilias heeft Maurits lof verheven:

Mijn mond gaf klank aan Clioos krijgsklaroen, En zal zijn naam by 't nakroost kennen doen. Als ooit de stroom, in 't alvernielend zwelgen, Uw bloeiend oord en steden kon verdelgen, Dat zelfs de plek, waar eenmaal de Amstelstad Zich hief, geheel bedolven lag in 't nat: Dan zou mijn lied, aan d'ondergang ontkomen, Nog steeds uw lof doen klinken langs de stroomen, En, op den vloed ronddrijvende Amstelzwaan, Wees nog het oord, waar ge eenmaal zetelde, aan. Of zoo de Tijd de hooge en trotsche kruinen Der Wareldstad verkeeren mogt in puinen; Nog klonk er 't lied door eeuw by eeuw verschoond, Als de echo, die 't bouwvallig slot bewoont.

III.

Zie daar wat ik het mijne noem - en stervend Aan u vermaak. Schoon andren rijkdom dervend Ik offer u al wat my te offren bleef. En wis! wie u zijn schat ten beste geev', Of hoofd en hand u dienstbaar maak, de Zanger Die in zijn lied zijn hart u wijdt, ontfange er Een eerloon voor dat grootscher offer waard. Ach! duur staat ons de gunst die ons weêrvaart!

'k Noem hier geen Hoon, geen schandelijk Miskennen, Geen Nijd, gereed om 's Dichters krans te schennen, Vervolging niet of Vonnis - 'k noem de smart Van wie zijn lot ten wees maakt van zijn hart. 'k Noem hier den strijd en wreede zielsontroering, Met lust gemengd en teedre hartvervoering: 'k Noem 't blaken van die zuivere aethervlam, Die in de borst eens menschen woonstêe nam, Maar die te rein, te hemelsch voor den boezem Eens stervelings, den teedren levensbloesem Verschroeit. De snaar te hoog gestemd breekt. 't Hart Vergaat en zwijmt in nooitverzachtbre smart, Dat hier den toon der gouden Serafsharpen Vermetel naklinkt. Min verwoestend snerpen Orkaan en storm, dan 't aadmen van dien tocht, Die 't bloed vergift als Samums heete locht. Wie niet gestaâg den klank terug wil geven Van galm en maat, door andren aangeheven, Maar zelf zich taal wil scheppen en geluid, Stort in dien klank zijn levensadem uit. Terwijl de mond, die de echo riep in 't leven, Verstomt, blijft zy den vragende andwoord geven. Wel bleef het vuur ons rein en onverdoofd, Dat 's Titans moed den Hemel heeft ontroofd;

Maar ook zijn leed is als die moed onsterflijk. Die heilvlam en die wreede smart zijn erflijk Waar Hemelgeest aan 't stof huwt. Zoo vergaat De hand, die aan den bliksem vingren slaat.

IV.

Doch kenne ik 't leed van 's Dichters zielsbeklemming, Ik ken, zoo één, het heil ook der bestemming, Waartoe het lot my op de wareld riep. Of zoo 't my bron van smart en kwelling schiep, Neen! ik misken zijn heilgift niet ondankbaar! Wiens hart, als 't mijn', voor Hemelweelde ontfangbaar, Heeft ooit die meer dan Englenlust gevoeld, Die balsemend mijn boezem heeft doorwoeld. Ja, Poëzy is zaligheid, is leven, En aan den band des aardschen stofs ontheven Opstijgen op der liefde zilvren schacht Tot voor den throon der Godlijke Oppermacht, Dien andren slechts op vleuglen der gebeden, Plichtschuldig Haar geheiligd, nader treden. De Dichter, - als de Duif die de arke ontvloog, Toen zy naar 't oord als Bode henentoog, Waar weêr de Palm in bloei stond, - rept de wieken, En streeft als bô naar 't Hemelsch morgenkrieken,

Van waar hy de aard den palmtak aanvoert, die Hem toegroende in het rijk der Harmonie. Hem spreekt een stem in 't murmlen van de baren; Hem spreekt een stem in 't ruischen van de blâren; Hem spreken bloem en struik. Geen andre geest, Die als zijn ziel in 't boek der schepping leest. Hy eigent zich het koeltjen toe in 't ruischen, En vergt het voor zijn snaren cijns, zelfs 't bruischen Van 's onspoeds storm geeft aan zijn woorden klem. Zoo leent de orkaan de golven taal en stem.

V.

Ziedaar wat vuur my blaakt en zielsverrukking, En hoe de drift my bron werd van verdrukking, Die onverdoofd mijn hart tot zingen drong: En wie dien gloed, dien tijd noch leed bedwong, Den naam van kunst zich ondersta te geven, My werd hy ziel, my leven van mijn leven, Waar denkkracht en gevoel in samenvloot. De vlam werd één met wat haar arm omsloot! Apolloos Zoon en uwer Dichtren Vader Schonk my het lot eene onuitputbare ader, Waaruit u stroom van zangen tegenvloot, Die zelfs den Grijze uit brekend harte schoot.

Ik leerde uw taal Zefiren natefluisteren; Den watervliet het murmlen afteluisteren, Als haar de Liefde een malschen toongalm vroeg; Of als mijn borst van zielsvervoering joeg, By zegepraal gevierd na zegepralen, Die Hollands Leeuw verwinnaar mocht behalen, Ik leende kracht aan d'uitdruk van haar stem. Mijn koopren keel gaf aan haar tongslag klem. De Stroomzwaan, die den Rhijn kwam afgedreven, Heeft aan het IJ de zangwet aangegeven, Die 't nageslacht zal volgen, waar 't akkoord Aan Spaarne of Maas of Amstel word' gehoord! Mijn Zanggodin, geschoeid met purpren broozen, Heeft zich haar throon op 't hoog tooneel verkozen, En er den staf met roem gezwaaid. Aldaar Zal te aller tijd Melpomenees altaar, By 't wijrook haar ten offer aangestoken, Van myrrhe my ter eer geboden, rooken. De koningsharp gaf, in mijn forsche hand, De tonen weêr van 't zangrig Morgenland. Mijn oog heeft in profetische gezichten De Stad aanschouwd, waar voor den throon der Lichten 't Geluid rijst van der Englen lofgezang, En in mijn mond vond 't hemelsch harpgeklank

Een echo voor zijn zielverrukbre galmen. 'k Omvlocht mijn kruin met Nabatheesche palmen. En, - meer! De duif des Heilgen Geestes heeft Klapwiekende om mijn sterflijk hoofd gezweefd, Wanneer mijn harp, - zoo als des Zefirs vingeren Zich strokende om de gouden snaren slingeren, - Door hooger hand beroerd scheen en bespeeld. Nooit heb ik laf den geest der eeuw gestreeld, Of Zeedloosheid en Dwinglandy gehuldigd Door offers Deugd en Vrijheid slechts verschuldigd. Geen ravenschacht des ongeloofs heeft my Ten wiek gestrekt. Hoog steeg mijn Poëzy Op d'adem des gebeds ten Hemel henen, Gewoon om van Gods licht haar gloed te ontleenen. 'k Heb naar geen krans van roos of lauwerblaân, Maar naar de palm van Edens hof gestaan.

VI.

'k Heb (en beken 't) gedwaald. 'k Zocht voor verachting In 't zwaaien van de geesselroê verzachting, Wanneer 't in toorn ontvlamd Vernuft my 't zoet Te smaken gaf van wie zijn wraaklust boet. 'k Heb Menno eerst als volgling aangehangen, Om straks de wet van Romes Vorst te ontfangen,

Maar waar ik ooit lofoffrend knielen mocht, Steeds heb ik de eer van Christus naam gezocht. En gy, die my veroordeelt, zaagt gy 't strijden Eens boezems met zich zelf in onmin? 't lijden - Neen meer dan dit, den zelfskamp, die het bloed Verkleuren en 't gebeent' verouden doet? Waarom dan my vervolgd, ondankbren? 't Leven Dat zich uw roem ten offer had gegeven Kon dan geen haat ontwaapnen, die te wreed Den boezem trof die voor u blaakte en streed. Ja, 'k heb u steeds bemind, mijn Holland! Teêrder Dan wat naast u my dierbaar was: en meerder Naarmate uw grond mijn tranen dronk en zweet, En 't bloedend hart door uw miskenning leed. Hing my weleer de Rijksvorstin van 't Noorden,Christina van Zweden. Ten schittrend loon der haar gewijde akkoorden, Den hals een snoer van gouden schaaklen om, (In uwen dienst gekromd door ouderdom, Meer nog gekromd door 't leed dat ge op my laaddet:) Waarom waart gy 't alleenlijk die my smaaddet, Waar andrer hand my frissche lauwren bood? Of moest gy 't lied, dat loon noch dank genoot,

Nog bovendien my doen tot straf verstrekken, Door der Behoefte er schatting voor te onttrekken?Vondel werd tot tweemalen toe om de politieke strekking zijner gedichten met eene geldboete gestraft. Wanneer streefde ooit mijn hulk door 'slevens meir Op d'adem voort der volksgunst? Scheen 'k niet eer Halcyoné, die 't nest bouwt op de baren, Op d'oceaan der wareld te evenaren?

VII.

Wat toch is my een zuil hierna wellicht Mijn naam gewijd? een marmren grafgesticht? Thans gunt gy naauw me een sterfbed, wiens gebeente Ge eens licht, gedrukt door 't Vorstlijk praalgesteente, Eene eerplaats wijdt in heilgen tempelmuur. Den levende staat dat gesteente duur! Maar 't zij zoo. Waar Realen en de Grooten Zich door uw hand ondankbaar zien verstooten, Waar 't my een hoon door u te zijn verschoond. Zoo de Adelaar op kale rotsen throont, Ik vraag voor my geen koets, die zwanen spreien; Ik ben geen zoon der needrige valleien, Maar door mijn vaart aan hooger lucht verwant, Zie ik my plaats ontzegd in 't Vaderland,

Dat my geen Vaderland kon zijn. Vertedering Kon my alleen dees zetel van vernedering Beminnen doen. Doch 't moest zoo zijn! Zoo Gy Den Adelaar uw buit niet voorwierpt, Hy Bleef ongetemd by 't hongrend ommezwerven. Wien de aarde voedt dreigt hooger recht te derven. Welnu! richte ons het nakroost! Schoon mijn mond U zegenspreekt, driewerf geliefde grond! Ja, 'k voel mijn hart door hooger aandrift blaken, En in mijn borst het heilig vuur ontwaken, Dat my den klank van 's Dichters melody Vervangen leert door 't woord der Profecy, Als 't lied eens klonk der Grieksche wichlaresse. De sterfkoets wordt my drievoet der Priestresse, Van heilgen damp en nevelen omwalmd. Hoor dan de stem die van mijn lippen galmt, Terwijl mijn luit, die de eigen adem doordringt, U als de harp der Zieneren in 't oor klinkt.

VIII.Hier zou men recht hebben eene voorspelling des Dichters te verwachten, rakende de toekomst van den Staat. Doch ten gevalle der eenheid, en op andere aesthetische gronden, heeft de Autheur gemeend wel te doen, met Vondels politieke Profecy, by hem in manuscript bestaande, achter te laten. Hy weet dat men hem deze kleine oneerlijkheid vergeven zal; daar de Lezer niet missen kan zich, by de ruiling van de hem onthoudene regels tegen de beleefde invulling van den zetter, allenzins aan de winnende zijde te achten.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

IX.

En waan ook niet als of der Kunsten rij Ten eeuwgen dage alhier gezeteld zij. Haast toch ziet ge u voor zuidelijker luchten Het zangrig Choor des Helicons ontvluchten. De Vorstenkroon der Poëzy en Staf Verzellen my in 't alverzwelgend graf. Biedt ge eerlang my uwe uiterste eerbetooning, Gy draagt zijn rijk ten grave met den Koning! Geen in 't gebied der Muzen, die als Vorst, Na my de kroon der Heldendichtkunst torscht.

Wat zeg ik? Neen! Een volgende eeuw ziet weder Van uit mijne asch, als waar 't op Fenixveder, Een Adelaar zich heffen aan het IJ, Mijn kweekling in de kunst der Poëzy, Doch die den naam van vondel overluisteren, En mijn gestarnt' helflonkrend zal verduisteren. 'k Spel u de komst van Een, wiens gouden lier By grijze jeugd en onverdoofbaar vier Een Lente om u van Poëzy zal scheppen, Wier bloei geen tijd zal dreigen met verleppen, Maar eeren zal als meer dan aardsche teelt: Die met den gloed van hooger vuur doorspeeld Het luchtruim zal vervullen met zijn galmen, Gedragen op den geur der offerwalmen. Zijn adem is de stem der glorie. Hy Zal, door den geest vervoerd der Poëzy, Het lichtgordijn der Heemlen weggetogen, En 't Paradijs gevoerd zien voor zijne oogen. Als Amrams zoon, Jehovaas keurling, die Gods heerlijkheid aanschouwde op Sinaï, Terwijl geen oog eens andren door 't gewemel Der wolken 't licht mocht zien, waarin de Hemel Met 's Hemels Vorst te dalen scheen op aard: Dus zal ook hy, zoo hoog een eere waard,

Zijn blikken tot de Lichtbron opwaarts heffen, Waar ge andrer oog Verblinding zoudt zien treffen. Ach, waarom zie ik ook zijn hoofd gebukt, En door 't gewicht des onspoeds neêrgedrukt? Wis, zoo zijn lied mijn zangen doet vergeten, Hy, meerder ook dan ik, zal door de beten Des jammers zich gegriefd zien en gewond: Ja, balling van den vaderlandschen grond, In vreemd gewest zich over 't Lot beklagen, Dat hem de kroon der Poëzy deed dragen.

XI.

En nu - gy kent die my vervangen moet, Wien thans mijn oog reeds in 't verschiet begroet, Als die mijn graf met lauwren zal beschenken. Waan niet als kon 't vooruitgezicht my krenken, Dat eens mijn glans zal tanen, als 't gestarnt' Zijns grooten naams aan Hollands Hemel barnt. Neen! 's Dichters hart, van nijd noch zelfzucht blakend, Wenscht wat hy zong aan 't vaderland vermakend, Dat eens de stem eens andren hem vervang', Die hem verwinne in 't heerlijk maatgezang. Ja, poezy is liefde! en haar vervoering Een teedre gloed, een zoete zielsontroering,

Als die het hart van wie bemint doorblaakt. Ik heb die zucht voor Holland nooit verzaakt; Zy volgt me in 't graf. Haast toch wenkt my de rustplaats, Den afgematte een langgewenschte lustplaats, Waar 'k zachtkens sluimre in vaderlandschen grond. Ik juiche u toe, geliefde stervensstond! Laat marmer noch arduin die plaats bedekken; Waar vondel zich ter ruste neêr zal strekken, Brenge elken dag de Dageraad heur groet, En balsem' 't graf met heurer tranen vloed; Dat Lente er my de terp met groen omringe; Dat Philomele er my heur klaaglied zinge, En zoo licht één naar 't graf ter beêvaart trad, Dien zegg' 't: hier rust die veel heeft lief gehad!

July, 1834.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Poëzy · J.P. Hasebroek · Poetry Cove