XI.
En nu - gy kent die my vervangen moet,
Wien thans mijn oog reeds in 't verschiet begroet,
Als die mijn graf met lauwren zal beschenken.
Waan niet als kon 't vooruitgezicht my krenken,
Dat eens mijn glans zal tanen, als 't gestarnt'
Zijns grooten naams aan Hollands Hemel barnt.
Neen! 's Dichters hart, van nijd noch zelfzucht blakend,
Wenscht wat hy zong aan 't vaderland vermakend,
Dat eens de stem eens andren hem vervang',
Die hem verwinne in 't heerlijk maatgezang.
Ja, poezy is liefde! en haar vervoering
Een teedre gloed, een zoete zielsontroering,
Als die het hart van wie bemint doorblaakt.
Ik heb die zucht voor Holland nooit verzaakt;
Zy volgt me in 't graf. Haast toch wenkt my de rustplaats,
Den afgematte een langgewenschte lustplaats,
Waar 'k zachtkens sluimre in vaderlandschen grond.
Ik juiche u toe, geliefde stervensstond!
Laat marmer noch arduin die plaats bedekken;
Waar vondel zich ter ruste neêr zal strekken,
Brenge elken dag de Dageraad heur groet,
En balsem' 't graf met heurer tranen vloed;
Dat Lente er my de terp met groen omringe;
Dat Philomele er my heur klaaglied zinge,
En zoo licht één naar 't graf ter beêvaart trad,
Dien zegg' 't: hier rust die veel heeft lief gehad!
July, 1834.