I.
De Zanger, van zijn veege stervenssponde,
Draagt Holland, in zijns levens jongste stonde,
Zijn afscheid en vermaking op in 't lied
Dat bevende van 's grijzaarts lippen schiet.
Richt stervensreê de zwaan aan Strymons boorden
Heur laatsten groet in tooverzoete akkoorden,
Waar 't eerste lied dat ze immer kweelen mocht
In saamsmelt met heur uiterst' ademtocht;
'k Vergeet als zy mijn leed en boezemklemmen,
Om de elpen luit voor 't jongst vaarwel te stemmen;
En zoo de Held zich 't sterven schat tot eer,
Waarby de Dood hem aantreft in 't geweer:
In 't zangrig lied den jongsten snik te geven
Drukt schooner kroon op 't Dichterlijke leven.
Klinkt niet de luit, wanneer een vreemde hand
Het koord verbreekt, dat op het snaartuig spant?
Zien wy de myrrhe op 't outer aangestoken
Niet by 't vergaan in geuren opwaarts rooken?
Wat is de Dood voor wie ten Hemel zucht,
Wiens ziel alleen verwisslen gaat van vlucht?
Klink dus mijn luit! en laat mijn vooze knokkelen
Ten afscheidsgroet de vochte snaren tokkelen!