Skip to content
1836

Poëzy

J.P. Hasebroek

I.

De Zanger, van zijn veege stervenssponde, Draagt Holland, in zijns levens jongste stonde, Zijn afscheid en vermaking op in 't lied Dat bevende van 's grijzaarts lippen schiet. Richt stervensreê de zwaan aan Strymons boorden Heur laatsten groet in tooverzoete akkoorden, Waar 't eerste lied dat ze immer kweelen mocht In saamsmelt met heur uiterst' ademtocht; 'k Vergeet als zy mijn leed en boezemklemmen, Om de elpen luit voor 't jongst vaarwel te stemmen; En zoo de Held zich 't sterven schat tot eer, Waarby de Dood hem aantreft in 't geweer:

In 't zangrig lied den jongsten snik te geven Drukt schooner kroon op 't Dichterlijke leven. Klinkt niet de luit, wanneer een vreemde hand Het koord verbreekt, dat op het snaartuig spant? Zien wy de myrrhe op 't outer aangestoken Niet by 't vergaan in geuren opwaarts rooken? Wat is de Dood voor wie ten Hemel zucht, Wiens ziel alleen verwisslen gaat van vlucht? Klink dus mijn luit! en laat mijn vooze knokkelen Ten afscheidsgroet de vochte snaren tokkelen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Poëzy · J.P. Hasebroek · Poetry Cove