3.
O, ween met my! Zal 's Egaâs trouw my allen,
En alles my vergoeden, dat 'k verlaat?
Zijn liefde alreeds verwekt my andrer haat:
Dat is als kind my nooit te beurt gevallen.
Worde ik door hem, hoe my dit denkbeeld griev',
Niet tot een eed van liefde en trouw gedrongen?
Daartoe heeft my mijn vader nooit gedwongen;
Noch had hy my, omdat ik schoon was, lief.