IX.
En waan ook niet als of der Kunsten rij Ten eeuwgen dage alhier gezeteld zij. Haast toch ziet ge u voor zuidelijker luchten Het zangrig Choor des Helicons ontvluchten. De Vorstenkroon der Poëzy en Staf Verzellen my in 't alverzwelgend graf. Biedt ge eerlang my uwe uiterste eerbetooning, Gy draagt zijn rijk ten grave met den Koning! Geen in 't gebied der Muzen, die als Vorst, Na my de kroon der Heldendichtkunst torscht.
Wat zeg ik? Neen! Een volgende eeuw ziet weder Van uit mijne asch, als waar 't op Fenixveder, Een Adelaar zich heffen aan het IJ, Mijn kweekling in de kunst der Poëzy, Doch die den naam van vondel overluisteren, En mijn gestarnt' helflonkrend zal verduisteren. 'k Spel u de komst van Een, wiens gouden lier By grijze jeugd en onverdoofbaar vier Een Lente om u van Poëzy zal scheppen, Wier bloei geen tijd zal dreigen met verleppen, Maar eeren zal als meer dan aardsche teelt: Die met den gloed van hooger vuur doorspeeld Het luchtruim zal vervullen met zijn galmen, Gedragen op den geur der offerwalmen. Zijn adem is de stem der glorie. Hy Zal, door den geest vervoerd der Poëzy, Het lichtgordijn der Heemlen weggetogen, En 't Paradijs gevoerd zien voor zijne oogen. Als Amrams zoon, Jehovaas keurling, die Gods heerlijkheid aanschouwde op Sinaï, Terwijl geen oog eens andren door 't gewemel Der wolken 't licht mocht zien, waarin de Hemel Met 's Hemels Vorst te dalen scheen op aard: Dus zal ook hy, zoo hoog een eere waard,
Zijn blikken tot de Lichtbron opwaarts heffen, Waar ge andrer oog Verblinding zoudt zien treffen. Ach, waarom zie ik ook zijn hoofd gebukt, En door 't gewicht des onspoeds neêrgedrukt? Wis, zoo zijn lied mijn zangen doet vergeten, Hy, meerder ook dan ik, zal door de beten Des jammers zich gegriefd zien en gewond: Ja, balling van den vaderlandschen grond, In vreemd gewest zich over 't Lot beklagen, Dat hem de kroon der Poëzy deed dragen.
Cookies on Poetry Cove