VII.
Wat toch is my een zuil hierna wellicht Mijn naam gewijd? een marmren grafgesticht? Thans gunt gy naauw me een sterfbed, wiens gebeente Ge eens licht, gedrukt door 't Vorstlijk praalgesteente, Eene eerplaats wijdt in heilgen tempelmuur. Den levende staat dat gesteente duur! Maar 't zij zoo. Waar Realen en de Grooten Zich door uw hand ondankbaar zien verstooten, Waar 't my een hoon door u te zijn verschoond. Zoo de Adelaar op kale rotsen throont, Ik vraag voor my geen koets, die zwanen spreien; Ik ben geen zoon der needrige valleien, Maar door mijn vaart aan hooger lucht verwant, Zie ik my plaats ontzegd in 't Vaderland,
Dat my geen Vaderland kon zijn. Vertedering Kon my alleen dees zetel van vernedering Beminnen doen. Doch 't moest zoo zijn! Zoo Gy Den Adelaar uw buit niet voorwierpt, Hy Bleef ongetemd by 't hongrend ommezwerven. Wien de aarde voedt dreigt hooger recht te derven. Welnu! richte ons het nakroost! Schoon mijn mond U zegenspreekt, driewerf geliefde grond! Ja, 'k voel mijn hart door hooger aandrift blaken, En in mijn borst het heilig vuur ontwaken, Dat my den klank van 's Dichters melody Vervangen leert door 't woord der Profecy, Als 't lied eens klonk der Grieksche wichlaresse. De sterfkoets wordt my drievoet der Priestresse, Van heilgen damp en nevelen omwalmd. Hoor dan de stem die van mijn lippen galmt, Terwijl mijn luit, die de eigen adem doordringt, U als de harp der Zieneren in 't oor klinkt.
Cookies on Poetry Cove