IV.
Daar zit ze neder in haar stulp, Beroofd van have, ontbloot van hulp. Wat voedt haar in dien bangen nood? Der raven voedsel, 't handvol brood,
Dat Ruth, als 't vogelke in de lucht, Op d' akker zamenleest; de vrucht Van 't teder Goddelijk erbarmen, Dat voor de weduwen en de armen De nedervallende airen vraagt Des maaijers, die zijn schoven draagt. O zeker, God bestuurt haar wieken, Als Hij naar d'akker haar geleidt, Waar Boaz' oogst ligt uitgespreid, En waar Hij haar van 't ochtendkrieken Tot d' avondstond het maal bereidt. O zeker, 't wordt door God gesproken, Het woord, dat haar uit Boaz' mond De gunst van Isrels God verkondt Op 't kinderlijke trouwverbond, Waar ze allen band voor heeft gebroken, Om met Naomi uit te gaan, En haar als dochter bij te staan. Gewis! God heeft ze haar gegeven, Die handenvollen, die de hand Der maaijers vallen laat in 't zand, Alom waar zij ze op 't veld zien zweven. En als nu de avond 't huiswaarts noodt, En zij er in Naomi's schoot Haar Efa ledigt, vol van brood,
Wél mag Naomi's mond Hem roemen, Die voor de vogelkens het zaad Uit de air zoo mildlijk vallen laat, En Hem haar vriend, haar gastheer noemen!
En als nu straks Naomi's oor Den naam verneemt van Ruths beschermer; En als de Geest van d'Alerbarmer Haar oogen rigt naar 't wonderspoor, Waarin haar God tot hèm geleidde, Op wien haar hoop als losser wijst; En als nu Ruth gehoorzaam rijst, En heengaat, waar haar God haar beidde; En als nu Boaz aan zijn voet De liefelijke bruid ontmoet, Die God ter vrouw hem heeft verkoren; En als nu God den echtknoop legt, Die Ruth en Boaz zamenhecht; En als nu de geburen 't hooren: ‘De Heere God heeft Ruth bezocht, En haar een zoon gelegd aan 't harte!’ En als nu Mara, vreemd aan smarte, Zich weer Naomi heeten mogt, Zij, wie de vrouwen zalig prijzen, Omdat zij op dien zoon mag wijzen,
Die haar van alle leed vertroost, En beter is dan zeven zonen; - Wien zou Naomi dank betoonen Voor zooveel zegens, zulk een kroost, Dan Hem, die de arme weduw trouwt, Die zich aan Hem als Losser houdt?
Cookies on Poetry Cove