II. Mattheus.
Mattheus zal van Levi scheiden, De tollenaar van 't tolverblijf. Maar geeft hij aan zijn oud bedrijf Een scheldbrief, maag en vrienden beiden Zal hij een afscheidsmaal bereiden.
Daar zitten ze aan den maaltijd neêr.... Een wolk van droefheid zweeft in 't ronde. Is 't niet een laatste, een afscheidsstonde? Vaarwel nu, omgang van weleer! Men ziet elkandren dus niet meer.
Maar wie ook rouw in 't hart moog' kweeken, Mattheus gloeit van heilge vreugd.
Hoor hoe hij poogt het uit te spreken, Wat zaalge geestdrift hem verheugt! Hoe schetst hij, wat hem 't zoet aanschouwen Des besten Meesters is geweest; Wat hemel opgaat voor zijn geest, Nu hij aan hem zijn lot betrouwen, En, vrolijk volgende op zijn stem, Thans enkel leven mag voor hem! ‘Och, of gij hem als ik mogt hooren!.... Maar kan het zijn? Daar is de Heer! De gasten rijzen: ‘Welk een eer!’ Niet zóó! Hij wil den disch niet stooren; Hij zet zich in hun midden neêr. Komt nu, gij trotsche Farizeërs! Komt nu, gij oudsten der Hebreërs! Komt om op 't schouwspel 't oog te slaan! Met tollenaren en zondaren, Die immers u te onheilig waren? Ziet! zit de Heilge Gods hier aan! Ja, scheld hem vrij Samaritaan, Scheld vrij hem zondaar, werp hem mede Als banvloek uit de heilge stede, Hij zal van hier niet henen gaan! Hij is gekomen om 't verloren' Te zoeken, om 't verdoolde lam
Terug te brengen van de sporen, Waarop hij 't dwalend tegenkwam. Ligt zijn ook hier verdoolde lammeren! Ook hier is ligt een kostbre buit Te ontrukken aan den poel vol jammeren, Die zich voor 's zondaars voet ontsluit. Welligt, terwijl de huichlaars honen: ‘Zie hem bij tollenaren wonen!’ Klinkt in Gods hemel 't vreugdgeluid: ‘Een kind te meerder weêrgevonden! Lof aan den Zoon, door God gezonden!’
En nu, Mattheus! nu de staf Van den Apostel in uw handen! Nu met den Heere zee en stranden Omreisd, de bergen op en af! Nu op zijn schreden, aan zijn zijde, Hem nagewandeld te allen tijde! Nu mede 't groot gezigt bezien, Hoe langs de ladder uit Gods hemelen Gods Englen op en neder wemelen En aan den Christus hulde biên, Daar bij 't gejuich der hemelscharen In hem zich aarde en hemel paren. Nu aan zijn schreên u vastgehecht,
En hem gevolgd met zijn getuigen, Daar, waar voor hem Gods Englen buigen, En waar de Hel hem lagen legt! Nu u gevoegd bij zijn aanschouweren, Waar hem des Hoogsten heerlijkheid Doet schittren vol van majesteit, Of waar hij meer dan aardsche lauweren, Door de openbaring van zijn kracht Verwerft op Dood en Hellemagt! Nu hem gevolgd met hartsvertedering Op d' engen weg der zelfvernedering, Met tranen, zweet en bloed besproeid! Nu in den beker van zijn smarte, Bij 't breken van zijn godlijk harte, Een traan gemengd, uw hart ontvloeid! Nu van zijn lippen opgevangen Die redenen, als hemelbrood, Als manna uit der heemlen schoot Ter nederreegnend op zijn gangen! Nu op de taaflen van uw geest De Godsgeboden neêrgeschreven, Door dezen Meerdere gegeven, Die eer dan Mozes is geweest! Nu op den top des bergs gekomen, Waar vooglen zweven door de lucht;
De lelie bloeit, en 't windgezucht 't Geruisch herhaalt der heilge stroomen, U neêrgezet aan 's Heeren voet, En daar - een Sinai gegroet! Een Sinai van liefde en vrede, Waar 't: zalig! zalig! negenmaal Als dauw van nederdaalt, in stede Van bliksemstraal op bliksemstraal, Bij 't tienmaal wederkeerend: ‘wee!’ Dat Horebs grondslag daavren deê! Nu met de Zebedeuszonen, En met de Petra der Gemeent', In hun belijdnis u vereend: ‘God zelf kwam bij de menschen wonen! Gij Heere! zijt de Christus, gij, Gezalfd ter koningsheerschappij!’ Nu zelf als heilbode omgetogen, De blijde boodschap in den mond: ‘Verblijdt gij allen u in 't rond: De Heer bezoekt u uit den hoogen; O Sion! hoor de blijde maar! Het rijk der hemelen is daar!’ Nu aan den maaltijd der verzoening, Waar 't bloed der heilge strafvoldoening In 't beeld van 't bloed der druiven vliet,
Den kelk zoo vol geheims geledigd, En met dien kelk 't verbond beëedigd: ‘Wij scheiden van uw liefde niet!’ Nu aan den maaltijd der hereening, Na 's Heeren weêrkomst uit den dood, U weêr gelegerd aan zijn schoot, En daar den traan der bittre weening Verwisseld met den traan der vreugd, Waarmede u 't wederzien verheugt! Nu langs Jeruzalems olijven, Nu uit Bethaanjes palmentuin Omhoog gestegen naar de kruin Des bergs, waarom de wolken drijven, Wier wagen straks, als zegekar, Hem wegvoert boven zon en star! Nu uit den mond der hemelboden Dat uiterste Evangeliewoord, Dat hemeltestament gehoord Des Eerstgeboornen uit de dooden: ‘De Heer komt weêr in heerlijkheid! Houd, aarde, u op zijn komst bereid!
De Heer is hemelwaarts getogen. De twaalven staan op aarde alleen. Zijn zij door hem verlaten? Neen!
Dat kan zijn liefde niet gedoogen! Straks komt hij weder in den Geest, Die neêrgezweefd op Pinksterstralen, Die vlammend op de twaalven dalen, Hen zalft op 's Heeren krooningsfeest. O zalving, die tot meer dan koning, Die tollenaars apostlen maakt! Hoe blijkt ge meer hun dan een krooning, Wanneer gij straks hun tongen slaakt, En uit den mond der Galileërs Een hemeltaal vernemen doet, Die driemaalduizend der Hebreërs Doet knielen aan des Heeren voet! Wanneer gij tot hun dienst Gods krachten Van uit Gods hemel nederdaagt, En dood en hel en hellemagten Doet zwichten, door hun blik verjaagd! Gij zijt het, die des Heeren daden Nu aan des Heeren dienaars geeft, En waar zij wandlen op zijn paden, Doet juichen: ‘Jezus is herleefd!’
Maar anders komt de Geest der krachten Aan onzen keurapostel voor, Wanneer hij in de stille nachten
Hem zachtkens fluistert in het oor: ‘Mattheus! wat gij mogt aanschouwen, Wat gij gezien hebt en gehoord, Dat zult gij aan 't geschreven Woord In onverganklijk Schrift betrouwen!’ Uw hoogste roeping is beslist; ‘Apostel! word Evangelist!’
Daar grijpt de Evangelist de veder, En schrijft in woorden, enkel gloed Gelijk zijn boezem blaken doet, De wondren, die hij zag, ter neder, Ja, griffelt met een gouden stift Het moeder-Evangelie-schrift. O, hoe doet ons dat Schrift uw trekken Als in een spieglend glas ontdekken, Evangelist! wiens ziele leeft In 't woord, waaraan ge uw adem geeft! Hoe blikt van uit de heilge blâren De tollenaar ons zigtbaar aan, Als wij den Vriend der tollenaren Zoo vriendlijk voor ons oog zien staan, En deernis aan ontferming paren! Hoe blinkt uit u de Levi-geest, Die u met Aaron en zijn broeder,
Der Isreliten grooten Hoeder, Vermaagschapt, als m' uw schriften leest! Ja 't is alsof de Geest, die daalde Op Mozes hoog verheven hoofd, Wiens licht om Aarons schedel praalde, En later rein en onverdoofd De kruin der Zieneren omstraalde, Alsof de Geest van 't Oud-Verbond, Dat op den Sinaï ontstond, Afdalende van den Messias, U heiligt tot een Jesaïas, Een Mozes van het Testament, Dat Christus als zijn Middlaar kent! Vandaar die wolk der tempelarke Die over uw geschiedboek zweeft; Vandaar die stem der oude kerke, Die in uw Nieuw-Verbondswoord leeft! Vandaar die glinsterende keten Van oude Zieners en Profeten, Die, als een heilig sterrenbeeld, De glansen, door hun licht geteeld, In 't heilig Woord, naar u geheeten, Vereenen tot een stralenkroon Om 't hoofdje van Mariaas Zoon! o Zeker! wie heeft weêrgevonden
Uw beeld in 't beeld van d' eedlen Stier, Die prijkte op Efraïms banier, En met dit heilig offerdier Uw naam voor altijd heeft verbonden, Mattheus! heeft uw geest verstaan! Die Stier biedt ons uw beeldtnis aan! Als hadt ge in 't bloed der offeranden De pen gedoopt, die ons beschreef 't Verhaal, dat van uw hand ons bleef, Zoo, als van uit de tempelwanden, Zweeft overal een offerwalm Ons toe van uit uw heilge bladen: 't Geschiedverhaal van 's Heeren daden Wordt in uw mond een tempelpsalm!
Heb dank Mattheus voor de gifte, Ons dierbaar als 't gewijde blad, Dat Markus met den Leeuw bevat; Als 't Woord, dat Lukas pen ons grifte, Waarop het Menschen-aangezigt Zijn vriendlijk' aanschijn naar ons rigt; Als 't woord des Boezemvriends, met d' Arend Op vleuglen naar Gods hemel varend! Ook gij vormt in 't vierstemmig koor Een dierbren klank voor 's Christens oor!
Wel hem, die door uw harmoniën, Vereend met de andre melodiën, Mede instemt in den jubeltoon: ‘Ter aarde, o wereld, kus den Zoon!’
En nu! Waar is uw graf verrezen, Apostel en Evangelist? Heeft 't erfgeruchte regt gegist? Zou de overleevring waarheid wezen? Hebt ge aan Afrikes kust de vaan Van 't Evangelie opgeheven, En heeft u daar de storm doen sneven, Die tegen 't kruis is uitgegaan? Hebt gij den Heer uw bloed, uw leven, Nu zelf een offer! veil gegeven? Mogt ge, eens verachte tollenaar, Niet slechts Evangelist u noemen En op 't Apostel-eerambt roemen, Maar waart gij ook een Martelaar? En blinkt dus op uw heilgen schedel Een driekroon, boven allen edel? Wie zegt het ons? - Hoe 't zij, uw naam Leeft meer dan op de wiek der faam.
Hij leeft in 't hart der Godgetrouwen, Die op uw Evangeliestem Meê neergevallen zijn voor Hem, Dien ge ons in 't vleesch hebt doen aanschouwen. Hij leeft in 't levensboek omhoog En praalt aan 't hoofd der uitverkoornen, Uit tollenaren en verloornen Vergaderd voor des Heilands oog, Die hen met sterren kroont voor doornen! En straks als 't Nieuw-Jeruzalem Op aarde nederdaalt van Hem, Zal op de gouden steunpilaren Des tempels, die niet kan vergaan, Mattheus, vorst der tollenaren! Ook eens uw naam geschreven staan!
Cookies on Poetry Cove