V.
Gewis, toen Ruth daar op den grond Van Boaz' golvende akkers stond, Een rijke moeder, rijke gade, En rijke dochter, driemaal rijk, En waar zij heenzag, vroeg en spade, Zich in een stroom van zege baadde, Haar van des Heeren liefde een blijk; Wel mag ze, als 't hart een danktoon zocht, Soms neêrgeknield zijn op die velden, Waar tranen eens haar oog ontwelden Van 't wrangste - als nu van 't zoetste vocht.
En wie haar zoo aanschouwen mogt? Wèl mogt hij, Lieflijkste aller bloemen, - Voor wie de halmen, als weleer
Voor Jozef, buigen, - nog veel meer Dan straks, u: Bloem in 't koren noemen.
Ja, Bloem van Moab, door Gods hand In Isrels akkergrond geplant, En met het volk van God gerekend: Gezegend zij de Landman, die, Ter plaats vóór de eeuwen afgeteekend, U inbragt in de gaarde, aan wie Het paradijszaad werd vertrouwd, Waar God zijn hemeloogst uit bouwt. Maar dubbel, driemaal gij gezegend, Die niet slechts Isrels hof versiert, Maar die er ook als keurbloem tiert; Gij, op wie 't louter gunsten regent! Gij, Ruth, die uit uw kuischen schoot Aan Boaz' huis den zoon mogt schenken, Waaruit de Godgewijde loot, Vorst Juda's stam- en troongenoot, De Silo Isrels, 't eeuwig Brood, Waarheen de Profecijen wenken, Na 't zich vervullend eeuwental, Als 's werelds Hoop verrijzen zal! O moeder Obed's! Izai's! O moeder David's! Jesaïas,
Die in den galm des zegelieds De naadring spelt van uw Messias, Spelt hij aan Izai een spruit, Den dorren tronk een groenend kruid, Welks schaduw Oost en West omsluit, Hij roept uw roem, uw grootheid uit!
Cookies on Poetry Cove