III.
De tijd des oogstes is gekomen. Ook Isrel scherpt alreê de zicht, Die weiden zal door 't gouden licht, Dat schittert op de breede stroomen, Waarin de gerst zich opwaarts rigt. Het oogstlied klinkt langs veld en akker, En roept de dartele echo's wakker, En de overvloed, met milde hand, Stort uit zijn volgestroomden horen De gerstenhalmen uit en 't koren
Op 't straks zoo dor en ledig land. Weêr moogt ge u thans de vruchtbre roemen, O Efrata, gezegend oord! En, Bethlem, wie uw eernaam hoort, Zal u op nieuw het Broodhuis noemen.
Maar waar de vreugde ook welkom zij, Die zweeft door Israëls landouwen, Niet aan het hart dier beide vrouwen, - Twee weduwen in rouwkleedij - Die ginder treurig 't land der vaderen Met matbezweken voeten naderen.
Is dat Naomi - God! kan 't zijn? Is 't waarheid? of misleidt de schijn? Is dat die vrouw, die blijde moeder, Die aan de zij' van haar behoeder, Haar man, haar echtvriend en haar kroon, Aan elke hand een kloeken zoon, Uit Israël is heengetogen? En nu, wat hart wordt niet bewogen, Wanneer 't die droeve weduwvrouw, Die moeder zonder zonen ziet, Wie God tot trooster in haar rouw Geen enkele toevlugt overliet?
‘Is dat Naomi?’ roept men uit. ‘Neen,’ klinkt daarop een droef geluid, ‘Neen!’ noem mij geen Naomi langer! Noem mij niet langer naar 't geluk; Laat thans mijn naam zijn naar den druk, Dien God mij toezendt, daaglijks banger. Mijn naam zij mara! bitterheid! Want bitter heeft mij God bejegend; Vol toog ik uit en rijk gezegend: 'k Keer weder, ledig uitgeleid. Neen, noem mij geen Naomi meer! Het voegt mij voor den Heer te buigen: De Heer woû tegen mij getuigen. Wat kwaad is, 'k leed het van den Heer!’
De ondankbre! zag haar oog dan niet, Wie ze aan haar zijde mogt aanschouwen? Een dochter, de edelste der vrouwen, Die, toen op aard haar 't al verliet, Haar zijde koos in haar verdriet? Heeft God den stengel neêrgeslagen, Waar 't buldrend noodgetijde op viel Was niet zijn deernis met de ziel, Die neêrboog voor zijn onweêrsvlagen? En plaatste hij de trouwe Ruth
Niet aan haar zijde als steun en stut? Een engel, die in 't uur der nacht Van zijnentwege moest verkonden: ‘De Heer heeft troost voor alle wonden: Wees stil, Naomi - hoop - en wacht!’
Daar stond de moeder tusschen beide, Hier Ruth, haar zuster Orpa dáár: ‘Verlaat mij,’ sprak een stem tot haar, Een stem waar 't brekend hart in schreide: ‘Verlaat mij - daar mij God verliet: Keer naar uw huis, uw maagschap weder: Ligt daagt u vrolijker verschiet..... Voor mij zonk 't al in 't graf ter neder!’ Dat woord ging in tot Orpa's oor; Zij vroeg Naomi d' afscheidszegen. Een laatste kus!.... Het snoer brak door, Waardoor zij erfdeel had verkregen Bij 't volk, dat zich de Heer verkoor.
Maar Ruth, geen dochter Moabs meer, Maar dochter Isrels naar het harte, Wat was haar aardsch geluk of smarte? Meer dan hij ze afvroeg, gaf de Heer Haar in Naomi's bijzijn weêr.
Zij werd haar moeder van een leven, Dat uit Gods hoogen hemel daalt, En in het diepst des boezems straalt, Om 't hart met hemellicht te omgeven. Zij sprak haar van den hoogen God, Die wel zich Isrel had verkoren, Maar vriendlijk toch zich neerbuigt tot Elk hart, dat hem wil toebehooren. Zij wees haar in haar nood op Hem, Die aller zegeningen Ader, Der weêuwen Man, der weezen Vader, Zelfs 't oor neigt naar der raven stem. Vandaar die band, die kind en moeder Gelijk twee zusters zamenhecht, En om haar hart een heilsnoer vlecht, Haar magtiger dan 't snoer van d'echt, Dan 't snoer des bloeds van maag of broeder! Vandaar, na Orpa's afscheidsgroet, Dat trouwe woord uit Ruths gemoed: ‘Ga waar gij wilt, ik ga met u, Waar gij vernacht, zal ik vernachten; 'k Zal, waar gij sterft, den dood verwachten; Alleen het sterven scheidt ons nu! Ik kies uw deel, uw erve, uw lot: Uw volk is 't mijne, uw God mijn God!’
Wel trok Naomi, sinds geruster Op dat vertroostend kinderwoord, Met zulk een dochter, zulk een zuster, Een staf voor de arme, dankbaar voort; Maar toch, als ze eensklaps 't feestlied hoort, Dat galmt door Efrata's landouwen; Als zij weêr de oorden mag aanschouwen, Getuigen van haar vroeger heil, In dagen van verleden oogsten, Daar steigt haar droefheid boven peil, En wordt een klagt tot d'Allerhoogsten. En wis, zoo ze ooit verschoonlijk waar, De smart, die 't hart der vrouw deed breken, Die troostloos meende, dat van haar Haar God, haar Heiland was geweken, - Wie durft hier 't vonnis uit te spreken?
Cookies on Poetry Cove