VI.
En als nu eeuw na eeuw vergaat, En eindlijk aan het eind der eeuwen Een jonge dochter der Hebreeuwen, Een maagd in moederlijken staat, De grens genaakt van Davids muren, En daar den zoon het leven schenkt, Die de aarde 't heil van Abram brengt, Waar eeuw en eeuwigheid op turen; En als die moeder, rein van bloed, Maar reiner nogtans van gemoed, In needrig en vertrouwend hopen, Een maagd van hart, een kind van geest, Met haren God geen onheil vreest, Waar 's Heeren pad ook heen moog' loopen;
Wie ziet het niet, dat Bethlems Maagd Het beeld van Ruth, haar moeder, draagt? Wie is er die, bij 't Godlijk wicht, Dat aan Maria's boezem ligt, Niet denkt aan Boaz' zoete duive, Die, in haar onversierde huive, Genade vond voor Gods gezigt, En op haar schoot den zoon ontving, Die zeven zoons te boven ging?
En als nu eeuw op eeuw verdwijnt, En allen 't rijk van Hem verschijnt, Die alle muren slechten zou, En in wien man meer is noch vrouw; En als nu menig vrome ziel In vrouwenborst en maagdenharte Zich neêrbuigt voor den Man van smarte, Hem, 't Zaad, dat dood in de aarde viel Om de aard met oogsten te overdekken, Die aller heemlen vreugde wekken; En als nu menig jonge maagd, Die op dien akker staat te prijken, Aan Ruth een lieflijk voorbeeld vraagt, Waarop zij gaarne zou gelijken; Ja, als de lieve naam van Ruth,
Alom, tot op den dag van heden, Een klank blijft, of een geur van Eden U toestroomde uit de stille hut, Waar u die naam doet binnentreden; Aan wie daarvan de roem, wie de eer, Dan u, o Moabs dierbre spruite, Die, Christlijk vóór den Christus, meer Het beeld droegt van der Christnen Heer, Dan menig, die zijn heilnaam uitte, En hoorde van zijn liefdeleer!
Cookies on Poetry Cove