II. Des dichters weêrgalm.
Zoo zong de Maagd van zestien jaren,
Toen ze aan den oever nederzat
Van Dobberans geliefde baren,
En beelden opriep uit haar nat.
Maar weinig kon uw geest vermoeden,
Jonge en aanminnige Vorstin:
‘Ach 't beeld mij dagende uit deez' vloeden,
Mijn eigen beeld verschijnt me er in!’
Gij zijt de Zwaan, die langs de stroomen
Door wind en stormen voortgejaagd,
Wel ras aan 't gindsche strand zult komen,
Waar u uw vleugel henendraagt.
Gij zijt de Zwaan, om wie de orkanen
Losbreken, of de donder loeit,
Terwijl ge op 't vocht, ook van uw tranen,
Gedragen, worstlend voorwaarts roeit.
Gij zijt de Zwaan, die onder 't schuimen
Der golven voordrijft op den vliet,
Terwijl gij voor uw blanke pluimen
Hun waterpluimen zwichten ziet!
Streef voort, o Zwaan, o Roem der stroomen,
Langs Seines troeble waterbaan,
Waarheen uw God u heeft doen komen,
Streef immer op uw doelwit aan!
Hoe onder u de golven koken,
Zing immer voort uw vrolijk lied!
Hoe om u heen de orkanen spoken,
Verstomm' daarom uw zangstem niet!
En zoo ge welhaast op gaat varen,
Wèl u, zoo, waar gij d'adem geeft,
Uit 't Zwanenlied van vroeger jaren
Een nagalm, klinkend langs de baren,
Als Zwanenzang ten hemel streeft!