II.
Wie is die zoon van Abraham, Die ginds zijn erf verlaat en stam, Om zich naar 't vreemde land te keeren? Wie is die telg van 't volk des Heeren, Die Bethlehem in Efrata Voor Moab ruilt met kroost en gâ? Zijt gij 't, o Elimelech? zeg, Wiens stemme riep u in dien weg? - Wiens stem? gij spreekt van - hongersnood, Die u in Bethlehem zou dreigen; Die deed u 't hart naar Moab neigen, Waar de aarde rijker oogsten bood. De staf van 't water, staf van 't brood, Voor u in Israël gebroken, Die, meent ge, heeft tot u gesproken: ‘Ga elders, waar de Heere u noodt!’ Maar neen, voorwaar! Een andre staf Is 't, die u van uit Juda's oorden Naar Arnons vruchtbare oeverboorden Om brood en water henenleidt: De staf van Gods Voorzienigheid! De staf van Godes heilgenade, Die u als engel henenzendt,
Om ginds een spruit uit Moabs zade, - Hem als een zaad uit Hem bekend, - Het brood te brengen, 't eeuwig brood, Dat spijst in d' eeuw'gen hongersnood!
O wondre leidingen des Heeren! O vinger aan d' onzigtbren trans, Die, blinkende van 's Hemels sferen, Ook ons het pad wijst door uw glans! O star, wier stralen nederblikken Op 't eenzaamst, meest verlaten pad, Terwijl haar gangen 't lot beschikken Van hem, die nooit verzorger had! Welzalig wij, dat wij het weten, Dat gij een zonne zijt, wier licht Voor avondschaâuw noch nachtfloers zwicht; O geef 't ons nimmer te vergeten!
Hoe weinig dacht de vrome Ruth, Aan wien zij hart en hand verpandde, Toen zij, als gade in Chiljons hut, De zorgen uit zijn hart verbande: Hoe weinig dacht ze, wat de Heer Voor haar bestemde, toen ze als vrouwe Haar huwlijksvreugde van weleer
Alras verwisseld zag in rouwe: Toen zij een weduwe achter bleef, Gelijk haar zuster, als haar moeder; Drie weduwen! en man noch broeder, Wiens hand haar ploeg door d' akker dreef! Voorwaar! voorwaar! die rouw viel zwaar, Maar 't zwaarst aan u, Naomi, dáár, Dáár, in dat vreemde land, te dragen; Uw hart versmachtte naar uw magen, Uw volk, uw land, uw erf, uw God.... Een nieuwe wending keerde uw lot.
Cookies on Poetry Cove