De voorsang.Ontleeding, en korte verklaring. vers 2.I. De eerste spreeker wend syne aanspraak
A.Tot God. Voor wien hy openlegt syne ernstige en vierige begeerte naar God; onder het sinnebeeld van een hert, dat gejaagd zynde door de jagers en honden, een ongeduldige trek heeft naar koele waterstroomen. vers 2. Gelyk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alsoo schreeuwt myne ziele tot u, ô God. vers 3.B.Tot syne Medebroeders. waar in hy א. Syn verlangen naar God bevestigd.a. In het gemeen: Myne ziele dorstet naar God, naar den levendigen God.b. In het bysonder bepaalt, in wat opsigt hy naar God verlangde en hem wenschte te genieten: Wanneer sal ik ingaan en voor Gods aangesigt verschynen? vers 3. vers 4.ב. De oorsaken aanwyst, die dit verlangen te meer opscherpten: in een tweevouwdige klagtea. Over de bespotting van syne hope en vertrouwen. Waar in
I.B. ב. a.1.Syne droefheid, met een nadrukkelyke vergrooting voorgesteld: Myne tranen zyn my tot spyse dag en nagt. Dag en nagt, dat is, geduurig, onophouwdelyk: Psal. I. 2. Dus spreken de Latinen: Juvenalis:
Nocte dieque suum gestare in pectore testem.
Dat is:
Die dag en nagt draagt een getuige in synen boesem. Syn mynen tranen my tot spyse. dat is, I. De stof tot het storten van tranen word my dagelyks als het brood mynes bescheiden deels weggelegd. Psal. LXXIII. 14. II. Ook kan het seggen, dat hy syn brood en spyse met tranen selfs bevogtigde. III. Waar in dan ook in het gemeen ligt opgesloten, dat hem alles, wat anders tot verkwikking dienen konde, wierd bitter gemaakt door syn gestadige droefheid. Ofte, IV. dat hy van droefheid soo overkropt was, dat hy niet konde eenige spyse nuttigen, min nog meer, als of hem syne tranen tot voedsel verstrekten. Dus leest men van Hanna, datse van droefheid in diervoegen getergd wierd, dat sy weende en niet en at. 1 Sam. I. 7. V. Ia dat hy in het storten van tranen syn verligting en verkwikking sogt. Ovid. Metam. lib. 10. Fab. 1. Septem tamen ille diebus Squalidus in ripa, Cereris sine munere sedit; Cura, dolorque animi lacrymaeque alimenta fuere.
Dat is, naar Vondels vertaling:
Hy blyft zeven gantsche dagen Van spys versteken, noit gehavent, sitten klagen En vasten. Hartewee en kommer, traan by traan En sorg was Orfeus spys. Immers met dese spreekwyse moet vergeleken worden Psal. LXXX. 6. Gy spystse met tranenbrood en drenktse met traanen als uit een drieling. Welke plaats naar onse bevatting op een selfde tyd slaat.
2.De reden en regtveerdige oorsaak van dese soo hooggaande droefheid: Om dat sy, (te weten, de vyanden, die de spreker verbeeld word als met de vinger in het verschiet aan te wysen, en die hy stilswygens vergelykt by de honden en jagers, die een hert najaagen, met een hard geschreeuw en geblaf) om
dat sy, seg ik, den gantschen dag, dat is, onophouwdelyk; (vergelyk Psal. LXXIII. 14.) tot my seggen, door een ongoddelyk ydel roepen, tergen en spotten: waar is uwe God? Uwe bondgod, op wien gy vertrouwd, dat hy komen en u verlossen sal, en uwe vervolgers straffen: Waar is hy? waar blyft hy? vergelyk Psal. LXXIX. 10. Waarom souwden de Heidenen seggen: waar is haar God? laat de wrake des vergotenen bloeds uwer knegten onder de Heidenen voor onse oogen bekent worden. Deut. XXXII. 37, 38.
vers 5. Verscheide verklaringen.b. De tweede klagte, die hy doet, word van de uitleggers verscheidentlyk opgevat.
I. Als een klagte over het missen van den openbaren Godsdienst.1.De meeste nemen het als een klagte over het missen van den openbaren godsdienst in den tempel; ik gedenke daar aan, ofte aan dese dingen. 't Welk sommige betrekkelyk maken op het voorgaande, namelyk die bespottingen en tergingen der vyanden; welke hem te meer droevig en bitter maakten het verlies en missen van de schoone godsdiensten. andere op het volgende: Aan dese dingen gedenke ik, te weten, die hy soo strax sal melden: Immers hy geeft te kennen, met wat voor een gemoedsgestalte en gedrag hy in dit aandenken was aangedaan. Ik storte myn ziele uit in my, of by my selven. Dit geeft te kennen eene uitterste benauwdheid en droefheid des herten; dat sig looft in naare sugtingen en smeekingen. Vergelyk 1 Sam. I. 15. Psal. XXII. 15. LXII. 9. CII. 1. CXLII. 2. Job III. 24. XXX. 16. Klaagl. II. 12. En wat is de rede van dese zielsuitstorting? Om dat ik henen ging, ofte, pleeg henen te gaan. In het Hebreeuws staat het wel in de toekomende tyd; maar dat word ook veeltyds voor een voorledene en voornamelyk voor een Imperfectum genomen. Daar staat eigentlyk door te gaan. Siende op den doortogt van de Israëliten, die jaarlyks henen reisden naar Ierusalem tot het vieren van de feesten. En dat geschiede onder de schare; ofte, een digte menigte: Sinspelende op de gewoonte der Ioden, die sig in hoopen of caravanen plegen te samen te vervoegen, om naar Ierusalem ter feestviering op te trekken. Ende met hen te treden. Met Hen, dat duidenwe op de schare; welk wel een woord is in het eenvouwd, dogh egter een nomen collectivum, waar op veeltyds een affixum plurale pleeg te volgen. Te treden, sagjes voort te gaan, gelyk een menigte niet soo spoedig kan voortrukken als wel een mensch alleen of een klein geselschap. Het woord word alleen hier en Jes. XXXVIII. 15. gevonden. De Lxx vertalen het ἐν τὸπῳ σϰηνῆς θαυμαστῆς. Dat ik sal henen gaan in de plaatse van den
wonderlyken tabernakel tot het huis Gods. Sy schynen gelesen te hebben אררת voor אררם. Naar Gods huis, eigentlyk tot Godes huis toe. Dit was de terminus ad quem, van dese optrekkende schare; te weten, tot den Tempel. En dit optrekken en het komen tot den tempel, geschiedde met een stemme van gejuich, of vreugden-gesang, soo onder weg op de reys, als wense in den tempel gekomen waren. En van lof, תורה Todah, belydenis, geloofstoestemming; welks oefening de ziele was van den gantschen Mosaischen godsdienst; en sonder welke alles maar een doode letter en een dood werk was. Dit was, segt hy, het werk van de feesthouwdende menigte: Want, of men kan het dus opvatten: Met een stemme des gejuigs, ende des lofs ende der feesthouwdende menigte. Ofte, in of onder de feesthouwdende menigte. Soo dat המון hier is voor והמון of כהמון. Invoegen het blykbaar is, dat hy speelt op het reysen der stammen Israëls naar de jaarlykse hoofdfeesten. 2.Andere nemen het niet als een klagte, maar als een troost,2. Als een vertroosting. door de verwagtinge, van eens te sullen opgaan tot de feestviering. Ik gedenke daar aan, en storte myn herte uit in my, door uitgelatene vreugde, in het voorbeseffen (vergelyk Jes. LX. 5.) dat ik haast sal henen gaan onder de schare, ende met hen treden naar Gods huis, enz. 3.Een vermaard uitlegger der Psalmen neemt het dus, dat3. De verklaring van een geleerd schryver. het is een klagte van de ware geloovige des Ouwden Testaments daar over, dat sy, vermengd met de vleeschelyke Israëliten, de feestvieringen en tempeldiensten moesten waarnemen; welke vleeslyke Israëliten de verwagting der geloovigen verguisden en hen soo tot een doorn in het vleesch waren. Dus vat hy de woorden: Denke ik aan haar: te weten, de beschimpers van myne hope en verwagting. Soo storte ik myn ziele uit by my selven, in droefheid en klagende sugtingen, Om dat ik, sullende henen gaan onder de schare, met hen, die smaders van myne hope, moet optrekken naar Gods huis, tot te menigte, die met een stemme van vreugde-gesang en lof feesthouwd.
Wat my aangaat, ik moet bekennen, dat my de eerste opvattingDe eerste opvatting aangenomen en verdedigt. nog als de aannemelykste voorkomt; selfs ook boven dese laaste.
1.Om dat men de eerste woorden אלה אוכרה, gevoegelyker verklaart ik gedenke daar aan, of aan dese dingen, als aan Hen. Want dan had de Psalmist liever gesegt אוכרם.
2.De voorgaande smading schynt my meer de taal van vyanden, die Israëls God niet kenden, als van Israëliten, die de selfde belydenis hadden; insonderheid soo men die smaders al souw moeten vinden voor de Babylonische gevankenis. Men vergelyke Psal. LXXIX. 10. Waarom souwden de Heidenen seggen: waar is haar God? 3.De klagte vers 3. schynt my ten vollen toe, datse vloeyt uit den mond van een, die verhindert word den godsdienst in de regte plaatse desselfs waar te nemen. 4. Immers, het was soo grooten stof van droefheid niet voor de ware geloovige, datse, vermengd met de vleeslyke Israëliten, den tempeldienst moesten waarnemen. Want sulx bragt de natuur des Ouwden Testaments mede; en het is altyd soo geweest; daar wy nogtans lesen dat de geloovige des Ouwden Testaments, des niettegenstaande in dien godsdienst soo veel lust en genoegen hebben gevonden. 5.Het henen gaan met hem, is niet betrekkelyk op de smaders, (waar van vers 4) maar op de schare. Segt men, dat het woord henengaan staat in den toekomenden tyd; ik antwoorde: a. Dat ik gedenke daar aan, en ik storte myn ziel uit; ook wel in den toekomenden tyd staat, en egter van die geleerde Uitlegger vertaalt in den tegenwoordigen. b. Dat die selfde geleerde Uitlegger het wel overset om dat ik sullende henen gaan; maar dat hy het inderdaad in den tegenwoordigen tyd opvat. Want het ook de natuur van de saak eischt, dat de klagte zy over iets voorledens of tegenwoordigs. Mag men dan het nemen in den tegenwoordigen, waarom niet in den voorledenen zin? Te meer, dewyl het woord gedenken, dat ontrent voorledene dingen plaats heeft, hier gebruikt was. ('t Is in alle nederigheid en zedigheid, dat wy onse bedenkingen hier over ter neder stellen.)
Edog in het midden van dese neerslagtigheid en droefheid beurt de spreker sig op, terwyl hy syne aanspraak wend vers 6.C. Tot syne ziele; waar in
א.Een selfsvordering tot redengeving van syne ontsteltenis des gemoeds. Wat buigt gy u neder, wat zyt gy dus neerslagtig, ô myne ziele, ende wat zyt gy onrustig in my? ב.Een opwekking en moedgeving van sig selfs, alwaar a. De opwekking selfs: Hoopt op God, uw verbonds-god. b. Met reden bekleed. Want ik sal hem nog loven voor de verlossingen synes aangesigts. vers 6.
Cookies on Poetry Cove