De derde dag.
I In Josua, die van God uitverkoren is om Israël te leiden in het land Canaan; ende in de inneming van twee landschappen, te weten, van Sihon en Og.I. In de Regeering van Constantius Chlorus, dien arend met twee vleugelen. II. De Israëlitische Kerk (na dat die gestorven waren, welke in de woestyne gesondigt hadden) is als een nieuw uitspruitsel gegroeit, soo in de woestyne, als in Canaan.II. Het getal der belyders word wonderlyk vermenigvuldigd ten tyde van Constantius Chlorus; bysonder ten tyde van Constantyn de Groote; wanneer het Roomse Ryk den Christelyken naam heeft aangenomen. Verg. Psal. cx. 2.
XI. Hoofddeel.Schepping.Voor de Wet. wandelde, te vergeefs gearbeid hebben. III. עשב Saad saajende kruid.III. De Kerk brengt voor Sethiten van verscheide genaden-gaven (Zie Gen. v. En de beteikenis der eigene namen.) IV. עץ Geboomte (Een sinnebeeld van Regeerders.)IV. De vrome Huisvaders onder de Sethiten.(De Arabiers hebben een overlevering, dat Kainan syn volk met een goede en loflyke regeering bestiert heeft. Heideg. Hist. Patr. l. I. c. vi. §. 30. ex Elmacino.) V. רשא עשב Wilde kruiden, onder welke ook vergifige.V. Die onder de Sethiten afweken van Jehova, het zy gemeene menschen, of die over andere gesteld waren. (Want dat'er ook sulke onder de Sethiten niet ontbraken, is te besluiten uit het verderf, dat allenskens is ingeslopen. Zie Gen vi. 1. VI. Op desen dag is ook het Paradys geschapen.VI. Zynde een voorbeeld van den gelukkigen staat, waar in Enoch is overgebragt. VII. De Nagt.VII. In het volle verderf der Sethiten en de opentlyke versmading van God. Dit verderf is voortgeset door de ongelyke huwelyken van Gods Sonen met de Dogteren der menschen. Gen. vi. 2.NB. Dat de derde soon van Kain genoemd is Mechujaël, 't welk kan te seggen zyn, een die God uitdelgt, of die van God word uitgedelgt. Wiens Soon was Methusaël, die de dood soekt (te weten, de Geestelyke) de Vader van den Godloosen Lamech.
Ouwde Testament.Nieuwe Testament.XI. Hoofddeel. III. De Kerke Israëls heeft Israëliten van verscheidene gaven.III. De Christenkerk heeft leden van verscheide genaden en gaven. IV. De ouwdsten en Oversten Israëls.IV. De Christen-Vorsten. V. Godloose Israëliten, soo Oversten, als van het gemeene volk.V. Godloose en onopregte Christenen, soo Overste, als Gemeene. VI. Het land Canaan, als een paradys, vloejende van melk en honig, welk de Israëliten te deser tyd geërft hebben, is ook een voorbeeld van de hemelsche erfenis; en volgens sommiger gevoelen, selfs eertyds de plaats van het aardsche paradys.VI. De Kerke vertoonde sig met de bekeering des Roomschen ryks als een paradys. Hoogl. iv: 12, 16. v: 1. En die overwinninge is een onderpand geweest van een volkomener zegepraal, die de Kerk eens sal genieten in 't hemelsche paradys. VII. Een nagt, na de tyden van Josua ende der ouwdsten. Zie de Hist. der Rigteren.VII. Een nagt, in de oprigting van Throonen, dat is, Hierarchie. In de ketteryen van de Arianen; in Julianus. De ongelyke verbondmakingen van Israël met de Canaaniten.De ongelyke vermenging en vereeniging van de Christenen met Romeinen, die sig maar geveinsdelyk Christenen noemden.
Cookies on Poetry Cove