Skip to content
1700

Proef-stukken van heilige sinne-beelden. Deel 1

Johannes Outrein

Hier op komt nu te voorschynDe tegensang. II. De Tweede spreker, die wederom aanspraak wend A. Tot God, aan wien hy

א.Openlegt syne vernederde zielsgestalte: ô myn God! myn ziele buigt zig neder in my. Dit geeft een nieuwe worsteling te kennen, die na de voorgaande moedschepping de kerk, welke hier onder de verbeelding van een ander spreker voorkomt, souwde treffen. ב.Verklaart syn voornemen om ondersteuning te soeken in die overdenking van Gods voorige wegen. Daarom gedenke ik uwer, of sal ik uwer gedenken van het land der Jordane ende der Hermonim; dat is, uwer voorige wonderdaden, die gy ontrent uw volk Israëls bewesen hebt, ontrent de Jordane en het gebergte Hermon, dat uit vele toppen of kruinen bestaat, en daarom Hermonim, in het meervouwd gesteld word: ten zy men Hermonim voor de Hermoniten of inwoonders van dat gebergte nemen wil. Wat voor daden Iehova aan de Jordane gepleegt heeft by de inneming des lands, is bekent. Ontrent het gebergte Hermon, had God Og den Koning van Basan en meer andere, in de hand der Israëliten gegeven. Deut. III. 4, 8-10. Zie ook cap. IV. 47, 48, 42. Daar men wel aanmerken moet, dat (even als hier) beide het land der Jordane en Hermons te samen gespaart worden. Zie ook Jos. XI. 3, 17. Hy voegt'er ook nog by, het klein gebergte. Andere: Het gebergte Mitzar; waar door men oordeelt, dat hy spelen souwde op het geweste ontrent Sodoma, daar Tsoar lag, werwaarts Loth de wyk nam om behouwden te worden. Zie Gen. XIX. 20, 30. En dan souw dit te kennen geven, dat hy ook gedagt aan die behouwdenis van Loth uit Sodom, en daar uit soodanigen les trok, als Petrus doet 2. Brief II. 6-9. Of anders konnenwe het klein gebergte ofte het gebergte Mitzar aanmerken slegts als een uitterste grenspaal van het land Kanaan, liggende ontrent de beke Zareth ofte tusschen de beke Arnon en Zareth. Soo dat hy met het optellen der daden Gods ten goede van Israël, de gantsche streek begrypt ten oosten van Kanaan, daar de grenspaal ten Oosten was de Jordaan; ten Noordoosten Hermon, ten Suidoosten tot het gebergte Mitzar.Ander nemen het op als een redengeving van syne vermelde droefheid. Myne ziele buigt zig neder in my, om dat ik uwer gedenke van den lande der Jordane ende Hermonim ende van het gebergte Mitzar. Als of hy seide: ‘Als ik

uwe daden herdenke, die gy daar ten goede van uw volk in hunne reyse naar, en inneming van het beloofde land, gepleegt hebt; soo worde ik ontstelt van droefheid, wen ik nu verneme, hoe de vyanden uwes volks alom soo seer de overhand hebben over het selve, en dit land onser’ vaderen met hunne geweldenaryen vervullen. Wanneer men de Psalm wilde duiden op het Nieuwe Testament, souw men mogelyk konnen vinden soodanige plaatsen, daar de kerk verdrukt geweest is, die onder de naam van het land der Jordane en Hermonim en Mitzar ontrent de doode zee, souwden konnen uitgedrukt worden. Zie Hoogl. IV. 8. By my van den Libanon af, ô Bruid, komt by my van den Libanon af: ziet van den top van Amana, van den top Senirs ende Hermons, van de wooningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden. vers 8.ג.Een klagte over de menigvuldigheid der vyanden en verdrukkingen. De afgrond roept tot den afgrond: Dat is, het eene vyandige volk en koningryk stemt te samen met, of volgt op het ander; op het geluid uwer watergoten; dese watergoten zyn de sluisen des hemels, de wolken; wanneer God die opend door vervaarlyke en druisschende plasregens, dan roept de eene afgrond ook tot den anderen, om hunne wateren op te geven tot overstrooming van ons. Het is wel een gelykenis, ontleent van de Sondvloed. Gen. VII. 11. Hy wil seggen, wanneer gy uwen toorn tegen ons loslaat, dan zyn'er volken en koningryken gereed, om uwe gramschap ten dienste te staan, ende met en onder deselve te samen te spannen tot onser verdrukking. Alle uwe baaren ende uwe golven zyn over my henen gegaan, en hebben my als een vloed overstroomd. Hier op wend hy syne rede

vers 10.B. Tot syne Medebroeders, voorwelke hy open legt

א.Syne sekere verwagting ten goede: Jehova sal des daags, als de tyd van verademing en van verlossing daar sal zyn, syne goedertierenheid gebieden. ב.Syn voorgenomen gedrag ontrent God, als de grondslag van syne verwagting. a. In het gemeen: Ook sal, of selfs sal des nagts, eer de dag van verlossing nog opgaat, syn lied by my zyn; door dien ik sal stoffe vinden van roem in het midden der verdrukkingen. Ende het gebed tot den God mynes levens. b. In het bysonder opent hy den inhouwd van syn gebed.Waar in1. De aanspraak: Ik sal seggen, myn steenrotse.2. Een geding met God: Waarom hy hem soo harde rampen en bejegeningen doet overkomen. En wel

a. Waarom God hem vergat? b. Waarom hy hem lied onderdrukken van de vyanden? vers 10. En wyst hier aan1. Syn smertelyk gevoelen vers 11. Met een doodstekevers 11. in myne beenderen hoonen my myne wederpartyders.2. De oorsaak daar van vers 11. Als sy den gantschen dag tot my seggen, waar is uwe God?

C.Tot syne ziele. vers 12. Wat buigt gy u neder, ô mynevers 12. ziele, ende wat zyt gy onrustig in my hoop op God, want ik sal hem nog loven; Hy is de menigvuldige verlossingen myns aangesigts, ende myn God. Waar van de ontleding deselfde is als vers 6.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.