Skip to content
1700

Proef-stukken van heilige sinne-beelden. Deel 1

Johannes Outrein

V. Hoofddeel.Waar in de Mensch in het bysonder word beschouwd als het Hoofdstuk van Gods werken.

c. Het schepsel, dat uit geest en lighaam bestaat, namelyk den Mensch.110 Een redenvoering over de voortreffelykheid van den MENSCH. Over Ezech. xxxiv. 31. Gy syt menschen. Inleid. De kennis van ons selfs is seer noodig.111 Veele zyn daar in gebrekkelyk. I. Die hunne uitnementheid niet kennen. II. Die niet kennen hunne Geringheid.112

Dies is noodig dat ons erinnert worde dat wy menschen zyn. Overgang tot de woorden: Gy zyt menschen. Welke tweesins verstaan konnen worden. I. Natuurlyker wyse.113 A. Benamingen van den Mensch, אנוש אדם, / ἄνϑρωπος, homo. B. De weerdigheid en voortreffelykheid des Menschen blykt א. Uit Gods eeuwige besigheid ontrent Hem. ב. Uit de schepping des menschen. En wel α. Dat hy het laatste van alle de werken Gods geschapen is.114 β. En na sulk een opwekking van de dry Godlyke Persoonen. Gen. i. 26.115 ג. Uit de beschouwing van den mensch selfs. α. In het gemeen, dat hy bestaat en uit ziel en uit lighaam. β. In het bysonder.116 a. Het LIGHAAM. Desselfs voortreffelijkheid blykt. I. Uit de schepping. En wonderlyke voortteeling. II. Uit desselfs uitterlyke gestalte.117 a. Hy word naakt geboren. b. Uit de groote gelykheid en ongelykheid. c. Uit de regt opstaande gestalte des lighaams. d. Dat hy de aarde alleen raakt met de planten van twee voeten.118 III. Uit desselfs deelen. aa. In het gemeen. bb. In het bysonder. AA. De uitterlyke. אא. Het Hoofd. Waar in α. De Oogen. β. De Neus.119 γ. De mond, lippen, tanden, tonge. δ. De ooren. בב. De Hals. גג. De Schouwderen. דד. De armen, handen, vingeren. הה. De Borst, buik, dyen, schenkelen, voeten.120 BB. De innerlyke. אא. De Herssenen. בב. Het Hert. גג. De Longen. דד. De Maag.121 הה. De overige deelen. Nuttigheid van dese beschouwing. b. De ZIEL of GEEST des Menschen. I. Dat de mensch een Geest of ziel heeft, bewesen.

a. Uit de Heilige Schriftuur.122 b. Uit de reden.122 II. Wat de Geest des menschen is. III. De uitnementheid der ziele.123 א. Uit haar wesen en werkingen. ב. Uit haar oorsprong. ג. Uit hare geduursaamheid. c. De Vereeniging van ziel en lighaam. Waar in die niet en immers bestaat.124 De ziel veroorsaakt de beweegingen des lighaams niet, maar bestiert deselve.124 En word van deselve aangedaan. Sy heeft haar voornaamste sitplaats in de herssenen. Wat de hertstogten syn.125 II. Geestelyker wyse.125.

Wat'er ligt in die erinnering: Gy zyt menschen. Namelyk, een erinnering van de pligten, die wy uit aanmerking van ons selfs als menschen, schuldig syn. Tot overtuiging van veele, die niet leven soo als de weerdigheid des menschen medebrengt.126 I. Overdadige en wellustige. II. Aardsgesinde. III. Die alleen voor dit leven sorgen.127 IV. Die soo veel werks maken van de schoonheid en verciering des lighaams. V. Die hunne ziel in geen betamelyke werksaamheid houwden.128 VI. En de leden van hun lighaam niet betamelyk gebruiken. VII. Die hunne ziel door het lighaam laten overheerschen.129 Vermaningen tot het tegendeel. Besluit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.