De sesde dag.IX. Hoofddeel.
Eersteschepping.Tweede schepping.Sesde dag. §. XCVI. Op dat de Schepper de aarde verder voorsien souwde van het noodige tot cieraad en gebruik, heeft hy op den selfden dag ook geschapen het Viervoetige, soo wilde als tamme, en het kruipende gedierte.God is niet alleen de oorsaak van het begin maar ook van den voortgang der heiligmaking, en laat het goede werk in de geloovige niet onvolmaakt liggen.De viervoetige dieren, die vastelyk steunen op 4 voeten; die welvoegsamer van leden zyn, en het naast komen aan de volmaaktheid van des menschen lighaam; zyn een Sinnebeeld van de vastigheid, volstandigheid, onderscheiding, nuttigheid, en van de nabyheid aan de volkomenheid, waar toe het nieuwe schepsel allenskens vordert, door toe doen van de kragtige werkinge des Heiligen Geests. Dese geestelyke deugden nu, waar toe de mensch verder word bewrogt, zyn van driederleye soort, volgens de drie soorten van dieren: by Moses opgeteld. Sommige zyn meer afgesonderd van de gemeene samenleving, andere dienen tot nuttigheid van andere menschen; en door andere zyn we werksaam ontrent ons selfs.
§. XCVII. Eindelyk heeft God de laatste hand gelegd aan de schepping door het scheppen van den mensch naar syn beeld, die gezegend en aan wien de heerschappye gegeven word.Eindelyk sal God de laatste hand leggen aan de nieuwe schepping, wanneer hy de geloovige sal brengen in den staat van een volkomen nieuwen mensch, pronkende volkomen met het beeld Gods. Sullende dan de volheid van zegeningen ontfangen, en met hem heerschen in syn Koningryk. Waar op de Sabbath gevolgd is.En daar op sal volgen de Eeuwige Sabbath.
§. De selfde Schryver heeft in het vervolg nog drie bysondereBesluit van dit uittreksel. verhandelingen. I. Van het eerste werk des sesden
IX. Hoofddeel.daags, de schepping van de dieren; welke hy breedsprakiger tot de Geestelyke herschepping overbrengt. Als mede II. van het Tweede werk des sesden daags, de schepping van den mensch. III. Van de Ruste des sevenden daags en het getal van ses dagen, welke God in de schepping heeft doorgebragt. Dog om dit uittreksel niet te lang uit te rekken, sullenwy het hier by laten. Die der tale kundig zyn, konnen tot het werk des Schryvers selfs gaan, 'tgeen onlangs binnen Franeker is begonnen herdrukt te worden. Voor de ongeletterde, dog egter niet ongeoeffende Nederlanders agten wy door dit voorgaande vertoog aanleiding genoeg gegeven te hebben, om des Schryvers Gedagten over dit stuk te vernemen, en deselve te brengen aan de toetse van een gesond oordeel. Vraagt ge nu, welk ons gering oordeel zy over deese Overeenstemming van de eerste en tweede Schepping? wyOns oordeel hier over. willen niet ontveinsen dat wy met veel vermaak en genoegen ons met de selve te schetsen hebben besig gehouwden. Dog egter niet met dien verstande, dat wy in allen deele in syne geestelyke overbrengingen souwden berusten. Het gene Hy segt over de drie eerste dagen, schikt sig vry wel. In de volgende schynt hy sig wat meer in te wikkelen en te verwerren. Hy blyft ook niet altoos in de selfde Gelykenis, en is alsoo sig selfs van voren en van agteren niet gelyk. Want I. dan neemt hy eens voor het onderwerp van de herschepping een bysonder mensch, en dan wederom het menschelyk geslagt: Zie §. 16, 40. II. In den avond en morgen van den eersten dag vind hy een verbeelding van het gantsche leven van een geloovige tot in de eeuwigheid. §. 42. 't Geen met het volgende niet overeenstemd. III. In de drie eerste dagen vind hy het gene God werkt tot herstelling van een uiverkoren sondaar, in alle tyden. Dogh met den vierden dag komt hy tot een bysonderen
tyd, namelyk den tyd van komste van Christus. Zie §. 27,IX. Hoofddeel. 86, 73. Waar in hy dan van syne eerste grondstelling schynt af te gaan, en de saake op sulken wyse op te vatten, als de Hr. Jurieu doet, die de drie eerste dagen overbrengt tot den tyd voor de komste van Christus in den vleesche; en den vierden en volgende dagen tot den tyd van de openbaring van Christus en de volgende tyden. IV. Dan merkt hy de wateren eens aan als Sinnebeelden van de sonden en begeerlykheden, (§. 62.) dan weder als verbeeldende de ziel van een geloovige. §. 89. V. Dan betekent aarde de ziel, dan weder het lighaam van een wedergeboren sondaar. En wat diergelyke swaarigheden meer zyn; welke vermydende, met wat af en toe te doen, en hier en daar eenige verandering te maken, men ligtelyk in staat is om de order, die God gehouwden heeft in de schepping, met sulken oog te beschouwen, dat daar mede overeenstemme de wyse en order, die God houwd in het beginnen, voortsetten, voltoojen en volmaken van het werk der genade en der herscheppinge in en aan elk uitverkoren sondaar in het bysonder.
Cookies on Poetry Cove