Skip to content
1700

Proef-stukken van heilige sinne-beelden. Deel 1

Johannes Outrein

Mal. iv. vers 2.Maar u lieden, die mynen name vreest, sal de Sonne der Geregtigheid opgaan; ende daar sal genesinge zyn onder Syne vleugelen; ende gy sult uitgaan en toeneemen als mestkalveren. Hoe schitt'ren my in 't oog de gulde Sonne-straalen! O Koning van 't gesternt! Wie sal uw' schoonheid maalen? Geen Arends oog doorsiet uw' luisterryken gloet, Die 's waerelds wyde rond verlicht, verwarmt en voed'! Men siet u als een held door 's hemels teek'nen loopen, En, schynt gy 's avonds in het siltig nat versoopen, Des morgens ryst gy weer: gy syt des waerelds oog, Die 't al bestraalt en siet van 's Hemels ronden boog. Gy koestert 't veld-gewas, en sonder uwe straalen Soud' 't vee en 't menschdom rasch ten grave nederdaalen. O Son! Maar sagt! Waar voerd verwondering my heen? Dit schepsel werd in plaats des Scheppers aangebêen

Van 't Heidendom, dat bleef sig blindeling vergaapen Aan 't Sonneligt, getuigt Apollen, AEsculaapen, Mithrassen, Herkules', en wat al Goden meer? Foei! Dat men 't maaksel geeft des Grooten Makers eer! De Son met all' haar glans is 't werk-stuk van Gods handen; Die 's hemels blaauwe tent (met al haar' sterren) spanden. Myn God, myn Heiland, U erkenn' ik als een Son; Een Son, onstoffelyk, een grondeloose bron Van Heerlykheid en Deugd; Alweetend, Alvermoogend, Regtvaerdig, Heilig, Goed, Barmhertig en Meedoogend. Son der Geregtigheid; die alles allen geeft! Door wiens verworven Heil en Geest een sondaar leeft. Uw held're glans alleen verligt myn' duistere oogen, Nooit word myn koude hert als door Uw' gloet bewoogen; Rampsalig leven als men is van U beroofd! Trekt gy Uw' straalen in, myn geest word uitgedoofd; Myn dood'lyk ziels-gebrek kond Gy alleen geneesen, Son der Geregtigheid, eeuw' uit eeuw in gepreesen, Gaa over Zion op, gewenschte Son, gaa op Aan onsen hemel tot in d'allerhoogste top, Spreid Uwe straalen uit als wyd-gestrekte vlerken! Doe Oost en West,doe'tZuid'en't koude Noorden merken De krachten van Uw vuur! Uw' vyanden vergaan Of smelten in berouw! Soo wast Uw' erfdeel aan Als jonge runderen, die om geen voeder loeijen, Maar,wel doorkoorend,op een vette dorschvloer groeijen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.