Zach. x. vers 3.Ende hy salse stellen gelyk het paerd syner Majesteit in den stryd. Een wel-geoeffend paerd, met net-gevormde leeden, Draaft Edelmoedig voor met wisse en snelle schreeden,
Met opgeheeven hals; 't is vrolyk in syn kracht, En huppelt opgetooid met Vorstelyke pracht: 't Gehoorsaamt, door den toom gebreideld, syn beryder, En rent den blixem in 't gemoet van syn bestryder; Het weigert stil te staan, graaft kuilen in den grond, Briescht tegen het trompet, blaast vuur uit neus en mond: Het roept Heah! 't belacht de vrees voor al 't gerommel Van 't yslyk wapentuig: van spies en lans, en trommel En 't donderend geschut; het rent met vollen loop Door 's vyands schaaren heen en werpt die overhoop. De Koninglyke Bruid, in 't Hoogelied geleeken By Pharaos gespan, gaat dapper, onbesweeken, Door 't donk're dal des doods, getroost en onbevreest, Vol kracht en yver-vuur ontsteeken van den Geest. Sy luistert naar den toom van Gods onfaalb're wetten En leert op 't deugden-spoor gewisse treeden setten. De Koning ciert Haar op met Vorstelyk cieraat, Sie! hoe de heiligheid op Hare bellen staat. Wen Koning Jesus 't Ryk van Babel wil bestooken, Voelt syn vrywillig volk het bloed in de aad'ren kooken; Schrikt voor geen Trentsche vloek of blixem van den ban, Die afstuit op haar schild en haar niet kwetsen kan. S'ontsiet geen Martel-lot, beswykt niet door het vangen Der trouwe Helden, nog door 't folteren en hangen, Of moorden door het swaerd, of blaaken aan de paal, De hoop en liefde maakt haar harder als het staal. Soo sag men door een wolk van brave bloedgetuigen, De Pausen sidderen en Babels hoogmoed buiten. Ach! was het nageslagt niet schandelyk van 't bloed Der Vaderen ontaard, lafhertig van gemoed! Ach! sag men Jesus, weer op 't witte paerd gesteegen, Behaalen op het Beest den lang verdienden seegen! En 's waerelds Vorsten, nu betooverd door de Hoer,
Haar haaten, plonderen en sleepen langs de vloer. Op dat geen menschen meer van Iesus af-hoereeren, Maar alle volken Hem alleen ootmoedig eeren.
Cookies on Poetry Cove