Jes. XL. 32. En Matth. xxiv. 29.Maar die Jehovah verwagten, sullen de kragt vernieuwen, sy sullen opvaren met vleugelen, gelyk de Arenden: sy sullen loopen en niet moede worden, sy sullen wandelen ende niet mat worden. Waar het doode lighaam is, daar sullen de Arenden vergaderd worden. HIer siet Ge een Arend op sijne onvermoeide pennen Ter snelle vlugt door't swerk tot in de wolken rennen; Hy steroogt op de Son, syn oogen scheem'ren niet. Fluks word hy 't aas gewaar, dat hy soo dra niet siet
Of stort 'er plotslyk op, om 't byten te versachten Van 't hong'rig ingewand; Dus blyven syne krachten Tot in den ouderdom: die word hy niet gewaar, Soo fris en jeugdig in het laatste als eerste jaar. Dit Sinnebeeld vertoont de Christenen naar 't leeven, Die door geloove en hoop ten hoogen hemel streeven; Wien Christus blinkt in 't oog gelyk de suiv're Son, Die noit haar oogen kwetst: uit wiens genade-bron Het lig van waarheid, deugd en troost komt nederdaalen, Veel meer verkwikkend als de vrugtb're Sonne-straalen. Waar Christus sig door 't woord of teek'nen openbaart, Daar siet men Christenen als Arenden vergaard. Hy voed Se met Syn vleesch, Hy laat Se nooit versmachten. Sy worden nimmer moe, Sy gaan van kracht tot krachten.
Cookies on Poetry Cove