III. Hoofddeel.Van de Grootheid van Gods werken, en wel, eerst in opsigt van de Hoegrootheid, of uitbreiding.
2 Van de GROOTHEID van Gods werken
α. In opsigt van der selver gevaarte of uitgestrektheid.42
a. Het geheele AL in 't gemeen is van een onbepaalde uitbreiding.43
b. In 't bysonder.
De grootte van den aardkloot.44
Groote werken Gods in en op de aarde.45
De groote afgrond.
De zee.
Groote dieren.
I. De Leviathan Job. xl. xli.
Oudaan aangetogen.46
II. Behemoth.48
Grootte van de Hemelsche lighamen,49
Het uitspansel, of de logt, en 't gene daar in is.
De Hemelsche ligten.
De Maan, de Son de Planeten.50
De vaste sterren.51
c. Van de Hoegrootheid der plaatselyke beweeging uit R. Boyle.52