IV. Hoofddeel.Waar in getoond word de Grootheid van Gods werken wegens de uitnementheid der selve, en de blyken van Gods Wysheid en Magt, dat in uitblinkende.
β In opsigt van der selver uitnementheid, en wonderlykheid.p. 54 Waar toe gebragt word. II. De Regtveerdiging van dien uitroep, door het vertoog van Gods WYSHEID, in de schepselen sig vertoonende.
De woorden: Gy hebt se alle met WYSHEID gemaakt, verklaard.55 De Wysheid Gods in syne werken opengelegd. A. In het Wys en heerlyk einde, dat God sig in en door deselve heeft voorgesteld.57 B. In het maaksel van de schepselen selfs, en der selver schikking op elkander tot dat einde.58 Dit word, in 't bysonder aangetoond. a. In de lighamelyke schepselen א. In opsigt van de derden of bovensten Hemel. ב. In opsigt van het Firmament, of den hemel de sterren.61 α. De vaste sterren.62 β. De Planeten. En onder die 1. De aardkloot.63 2. De Maan.64 γ. De Son Dag en Nagt.95 δ. Onderscheidene jaargetyden. Oudaans uitbreiding over Ps. viii. 4. En Psal. 19. 2-7.66 Mitsgaders Psal. lxxiv. 16, 17.70 Ende Psal. cxlviii. 3.71 ב. In opsigt van den benedensten Hemel of de lugt.72 J. Aalstius aangetogen. Het wonderbare der verhevelingen: Donder, Blixem, Regen, Sneeuw, Hagel. Job Cap. xxxvii. geheel aangetogen.74 Job xxxviii. 22-30. Oudaans Uitbreiding daar van.76 Job xxxviii. 33-38.78 Oudaans Uitbreiding daar van.79 Job xxvi. 7-17. Door Oudaan uitgebreid.80 Psal. cxlvii. 15-18.82 Door den Schryver selfs in rym uitgebreid. . In opsigt van den aardkloot en daar ontrent. α. Het gene daar op is. I. Het gevogelte.83 De Plaatsen Job. xii. 7-984 Door Oudaan uitgebreid. Job xxxix. 3, 16-21.85 Door Oudaan uitgebreid. Job xxxix. 26-33.86 Door Oudaan uitgebreid.87 II. De Beesten.
Aalstius Redenl. aangetogen.88 Plaatsen der Heilige Schriftuure, die Gods Wysheid daar in roemen.90 Oudaans uitbreiding over Job xxxix. 22-18. van het Peerd, aangetogen. III. Het ongedierte.92 Een beschryving van den aard en eigenschappen der mieren, in Latynsch gedigt door Johannes Carpentejus.93 β. Het gestel van den aardkloot selfs,94 I. Bergstoffen en mynen, onderaardsche holen en watervangen. II. Vuurbrakende bergen. III. Fonteinen, Rivieren, en Zeen.95 Speelingen van de Heilige Schriftuur op deselve. Job. xxxviii. 8, 16. door Oudaan uitgebreid.96 Psal. xxxiii. 7. insgelyx.97 En Psal. cvii. 23-30.98 IV. Gewassen der aarde Aalstius redenl. aangetogen100 De Wysheid van God, in elk kruidje en bloem op te merken.102 Psalm. lxv. 9-14.103 Besluit hier van104 b. Overgang tot de Geestelyke schepselen, en Gods Wysheid, in deselve.105 Boyle aangetogen. Besluit van dit hoofddeel.108
Cookies on Poetry Cove