Hoogl. ii. vers. 1. 2.Ik ben een Roose van Saron, een Lelie der Daalen.Gelyk een Lelie is onder de doornen, alsoo is myn vriendinne onder de dogteren. Vermaakelyk gesigt van Lelien en Roosen! Als of men Vermiljoen op Elpenbeen sag bloosen; O schoone bloemen! Gy beschaamt eens Konings pracht, O bloemen êel van blad! ô blaân vol geur en kracht! Een' stoff' tot kroonen en om bedden te bespreien, Tot welke een Bruid'gom wil syn' waarde Bruid geleien. Soo vind myn Heiland, die Syn' Kerke lieflyk kust, In Zions kinderen Syn' kroone en al Syn lust.
Die bloosen vol van schaamt', betreuren hunne sonden, En wasschen sig in 't bloed van Jesus dierb're wonden; Die suiv're Heilbron maakt hunn' kleed'ren Leli-schoon, Hen onberisp'lyk voor Jehovâs hooge Throon. De soete geur van deugd, gesangen en gebeeden, Verspreid sig door hunn' mond en God-gewyde leeden. Al worden Se in dit dal van traanen swaar verdrukt, En door een wreede dood al bloemen afgeplukt, Hunn' reuk en goede naam sal nimmer hen begeeven, Gestorven spreken Sy en leeven naa dit leeven. Dog als de Kerk gelyk een Roos of Leli prykt, Haar snoode weerparty een scherpe doorn gelykt, Gesprooten uit den vloek, met weelderige looten, Tot elks verdriet en smert der vroomen opgeschooten. Wier einde is 't eeuwig vuur en eindeloose pyn. Wilt, Groote God, wiens hof en akkerwerk wy syn, Het aardryk door den daauw van Uwen Geest besproejen, Dat Roos' en Lelien voor doornen mogen groejen.
Cookies on Poetry Cove