Wijze: Hoe schoon licht ons de morgen-ster. 1. Laag neer-gezeegen doffig hert! De sloff’ en oorzaak van uw smert, Verdwynt, wilt vroolijk zingen, Laat uit uw ingebonden geest, Een stil gejuich, een zielen-feest, Doe die nu vlug opspringen, In die, Ik zie, Voor ‘t verlooren Volk gebooren, Die s’ontzétten Zal, en ‘t slangen-hoofd verplétten.
2. Gen. 3: v. 15.Hier is ‘t beloofde Vrouwen-zaadt, Der Vaad’ren hoop en toeverlaat, Gen. 49: v. 10. 18.Hun záligheid en leeven; Het zaad van Abraham, in wien De Heid’nen zig gezeegent zien, Aan hen zo wel gegeeven, Als haar, Die maar
Ioan. 8: v. 33.Vry zig noemden, En zig roemden ‘t Volk des Heeren, Help Iehovaas lof vermeeren.
3. Den Hémel helpt! want d’Eng’len-schaar Ziet men om deese blijde maar Van ‘t hoog Paleis neerdaalen; Den Herd’ren in de duist’re nagt, Omschijnt hun glans zeer onverwagt Met snelle held’re straalen, Op ‘t bangst, Beangst, d’Engels woorden, Zy dus hoorden, Wilt niet schrikken Voor het geen u zal verquikken.
4. Want, zeide hy, in klaare stem, Daar is een Kind, te Bethlehém, Slegt in een stal gebooren: ‘t Is Vorst Messias, ‘t is die Heer, 2 Sam. 7: v. 12. Micha. 5: v. 1.Die aan de Váderen wel-eer Belooft was en geswooren. Spoedt u, Doet nu Snelle gangen, Met verlangen, Naar dien Zoone, Die haast heerscht op Davids Throone.
5. Het Eng’len-heyr toont ook belang In ‘s menschen heil, haar vreugden-zang Tot God word opgeheeven; ‘t Luidt, Hy die in het hooge woont, Die zy volmaakt met lof bekroont, Hem werde eer gegeeven, Nu paard, Op d’aard, Ongescheiden, Iood en Heiden, Want die vreede,
Beider swaerd drijft in de scheede.
6. Het menschdom lukt nu ‘t záligst lot, Het volk dat waerd was vloek en spot, Hier en namaals Gods plaagén, Daar toont hy zig nu toe gezint, Hy schenkt zijn Zoon; in wien hy mint, Met lieflijk welbehaagen: Ag kom! Menschdom, Gods Zoon naadert! Die t’zaam gaadert Alle dingen, En u paart met d’Hemellingen.
I. Ruste.
7. Dat licht en zoet gejuich houd op, Zy rijzen weer naar ‘s Hemels top, (Nooyt Eng’len-zang lang duurde) Die held’re klank, dat liev’ gehoor, Blijft in der Herd’ren hert en oor, Dat haar ter gang bestuurde; Haar stem, Had klem, Dies zy ‘t wonder, Dat nu onder Hen vertelt is, Gaan bezien of ‘t zoo gestelt is.
8. Geen nagt of zorge voor hun vee, Hun lust of moed weerhouden dee, Zy durven zig verkloeken, Op ‘t woord des Engels, om geswind De maagt Maria en haar Kind, In stal en krib te zoeken, Tot dat, Die schat, Word gevonden, Opgewonden (Als onmagtig) In slegt doek, niet rijk nog pragtig.
9. Zy staan verwondert en verheugt,
Haar geest springt op en juicht van vreugd, Zy zien ‘t bepaalde teeken, ‘t Gezicht, de stem en blyde maar Der Eng’len, heb onfeilbaar waar En godlyk, is gebleeken; Hun tong, Ontsprong, Met zoo ‘n eerzangk, Die de weerklank, Yders ooren, Tot aan ‘s land-streeks-eind doet hooren.
10. Maria luistert en ontfangt Het woord zagtmoedig, en verlangt Haar reed’nen te bewaaren; Geloovig beidt zy naar dien dag, Waar in ‘t haar oog aanschouwen mag, En haer gemoed ervaaren, Al wat, Haar dat Kind doet wagten, Haar gedagten Ooverleggen, Volgens ‘t geen de Herd’ren zeggen.
II. Ruste.
11. Sta stil mijn ziel! naa binnen keerm En van die zuiv’re Moeder leer, Met aandagts diep beséffen, Aanschouwen dit bevleeschte woord, Zijn reine wondere geboort’: Om hoog uw geest wilt heffen! Mogt maar, Zijn klaar Licht neer-daalen, En bestraalen Mijne oogen, Ag! dan wierd ik opgetoogen.
12. Des Hémels God! der Eng’len wensch! Die ‘t alles draagt! word als den mensch Gebrékkelyk van kragten: Van wie afhangt, wat is of leeft,
Voor wien het schepsel bukt en beeft, Hoeft hulp, of moet versmagten, Wie kan, ‘t Diep van Dat beminnen, Regt bezinnen, En bepeilen? Wie kan in dien afgrond zeilen?
13. Nu ziet men dat het lichhaam daalt, Door scháduwen lang afgemaalt, Verbeeldt door offerhanden; Hier ‘s Isaaks waar teegenbeeld, Dien Sara (reeds onvrugtbaar) teeld; Dien Steen die zonder handen Neêrstort, Dan. 2: v. 34. Te weeten, in zyn eerste beginsel en oprigting zyns Ryks, welkers voltooying verwagt word in de val des Antichrist, en de Heerlyke staat der Kerke.In ‘t kort Dreigt te vellen, Die zig stellen Tot weerstreeven Van het Ryk, aan hem gegeeven.
14. Hier blijkt nu dat Ies. 7: v. 14.een reine Maagd Bevrugt word, en haar Heere draagt: Nu word dien Zoon gebooren, Ies. 9: v. 5.Wiens Naam is, Raad, Kragt, sterke Held, En eeuwig Váder; die gestelt En eenig is verkooren Tot Vorst, Hy torst Op zijn schoud’ren, Der Voor-oud’ren Staf en kroonen; Schoon ‘t zijn komst niet schijnt te toonen.
15. Want ‘t is geen Aards Monarch, geen rijk Der wereld, dat vergankelijk Is, en verwekt partyschap;
Zijn komst brengt zelfs den Hemel mee, Rom. 14: v. 7.Regtvaerdigheid en zielen-vreê, Is ‘t goed zijns Rijks, en blyschap. Iuicht nu, Buigt u Voor dien Kóning, die zijn wooning Hoog van waerde Liet; en vleesch en bloed aanvaerde.
16. Wat dreev’ u tog, ô Godes Zoon! Om dus uws Vaders hof en throon Voor stal en kribb’ te ruilen, Den Phil. 2: v. 8. 9. 10.Goddelijken glans en kragt, In ‘t menschdom dienstbaar en veragt, Bekleedet, te verschuilen? ‘t Was min, Die in U dat werkte, Die nooyt merkte Te weeten in de desselfs volkoomen waerde.’t Eindig denken, Min deed u uw zelfs weg schenken.
17. Dat nu uw Geest mijn hert bestraal’, Uw gunst en beeld in my neerdaal’, Wilt u nu oopenbaaren Aan my in uw gemeenschaps-kragt, Die zy mijn ziele toegebragt In ‘t innerlijkst ervaaren. Ag kom! Bruigom; Man en Broeder; Menschen-hoeder; Wilt vertoonen In my, als uw huis te woonen.
Cookies on Poetry Cove