Wijze: Psal. 36. of 68. 1. Hoe regt, Ps. 92: v. 2.betaamelyk en goed, Hoe lieffelyk voor ‘t rein gemoed, Is, alleen-waerdig Heere, Uw lot! uw magt en ajesteit, Uw dierb’re gunst en vriendlijkheidt, Komt toe volmaakte Eere. ‘t Is der opregten zielen-vreugd, Al uwe heerlykheid en deugd Te roemen, door gezangen; Het volk, dat uw genae bevond, Wordt vaak ontslooten hert en mond, Met lust tot lof bevangen.
2. Wat wonder? ‘t is der Eng’len werk, Die (in uw roem volmaakt en sterk) Altoos uw lof uitgalmen: Het is der Hemellingen lust, In d’eeuwig’ rustelooze rust, Uw glory uit te psalmen: Zy prijzen tog in ‘s Hemels-zaal Uw Ies. 6: v. 3. Oopenb. 4: v. 8.Heiligheid oneindigmaal, Verr’ booven ons beséffen, Om U, verheerlijkt op uw Throon, En ‘t dier geslagte Lam, Uw Zoon, Op ‘t hoogste te verhéffen.
Uw roem is al uws volks vermaak, Zy vinden daar in vreugd en smaak; Al zijn s’ in druk verschooven: Ps. 118: v. 15.Der vroomen tente steedsw getuigt, Dien lof die U haar ziel toejuicht, Meer dan in Konings Hooven; Ia, schoon den druk haar knelt en steurt, Haar geest en stem word opgebeurt; Schoon ‘t lichhaam is in kluist’ren, Al zijn haar voeten in den stok, Zy draagen Handel. 16: v. 15.(zingende) dat jok, Waar naar gevang’nen luist’ren.
Ruste. 4. Waarom is dan Gods volk zo dorr’ Van geest! van stem, zo laag en schor, Waarom haar harpen hangen? Wie is er die Gods lof gewaagt? En hem betaam’lijk roem opdraagt Met lof- en liefde-zangen? Daar dat tog ‘t droevig hert verligt, ‘t Gezang de ziel des naastens stigt, ‘t Gezang kan hun verklaaren, Gods deugden en zijn grooten naam; Iaa, doet Gods kinderen te zaam Met zang ten hemel vaaren.
5. ‘t Vermaakelyk zoet zang-geluit Voert ‘s menschen ziel ten ooren uit, Den aandagt kan het streelen: Het aangenaam en zoet gerucht Voert onzen geest op in de lucht Met d’orgelen der keelen: Het hert, dat afsworf, word bedaart, De zinnen frisch en opgeklaart,
De quaade drift het smoorde: Des Satans pyl de ziel niet raakt, Als ‘t hert zig in Gods lof vermaakt, Die vreugd hy tog nooyt stoorde.
6. Het schaterende pluim-gediert’, Dat fluit en zingt en vroolijk tiert, Wil (op haar wijs) God looven; Wie weet? zo haar den mensch verstond, Of hy niet door haar zang bevond, Zig opgeligt naar booven: O ziel! zijt dan wel diep beschaamt, Dat gy Gods lof, als ‘t u betaamt, Voor deezen niet vertélde. Ag! was mijn hert nog maar bereidt, Op dat mijn tong Gods Majesteit, En gunst voortaan verméldde.
Cookies on Poetry Cove