Skip to content
1717

Nuttige besteedinge der afgebrookene uuren

Johannes Outrein

Wijze: Psal. 77. 1. Als de Heiland, opgesteegen, Ioan. 14: v. 18.Liet (zoo ‘t scheen) zijn volk verleegen, Eeven of zijn trouw besweek, Zy op ‘t schoonst en kragtigst bleek: t’Wijl zy zijn beloften wagten, Laat hy haar in druk niet smagten, Maar hy zend den Trooster, weer Van den Hémel op haar neer.

2. Act. 1: v. 13. en 2: vers 1.Na zijn lijden vyftig daagen, Tien, na zy hem laatstmaal zaagen, Gaaderen zy altemaal, In des Tempels Opper-zaal, Eens-gezint in liefd’ eendragtig, Toont zig Iesus min, gedagtig, Aan het toegezegde woord, Dat men van hem had gehoord.

3. v. 2. 3.In een wind sterk voortgedreeven, Word aan hen den Geest gegeeven, Die dat gansche huis vervult, Daar zy wagten met geduldt: Tot een blijk daar van, vernam men, Op elk een van hen vuur-vlammen Als verdeelde tongen, die ‘t Wonder zijn, waar op elk ziet.

4. Daar schenkt hy die dierb’re gaaven, Om haar flaauwe ziel te laaven, Zijne min stort in hen uit, By die vlam en ‘t winds geluidt, Den beloofden Geest der waarheid, ‘t Booven hemels licht en klaarheid, ‘t Welk hen ‘t woord indagtig maakt, En hun tongen wel-bespraakt.

4. Met dat vuur wordt hen geschonken ‘t Voelen van zijn liefde-vonken, Die haar (nog te laauw) gemoed Doen verand’ren in een gloed, Die hen doen in weêrmin blaaken, In zijn liefde zig vermaaken. Die ontsteeken hert en zin, In een vlam van zuiv’re min.

6. Door dat vuur doet hy verteeren d’Aardsche liefde en ‘t begeeren, Op dat zy geloutert, uit Zouden koomen als zijn Bruidt; Waar van zoo een glans afstraalde, Daar Gods beeld zoo schoon in praalde, Dat haar elk Ies. 61: v. 9.als ‘t zaad erként, Waar toe zig Gods gunste wendt.

7. Door dat vuur word hunnen yver Vaerdig, ja geen vlugge schrijver Voert geswinder zijne schagt, Als haar mond Gods lof voortbragt: Straks is menschen-vrees verdreeven, Voor geen vyand zy nu beeven, Satans magt en Vorsten schrik,

Vlugten in dat oogenblik.

I. Ruste.

8. Toegeloopen groote schaaren, Op ‘t geluid dier wind vergaêren, Dog dat maakt haar niet bedeest, Nog ontmoedigt haaren geest; Want wie kan hen nog verbaazen, Die Gods Geest wil kiragt inblaazen? Dies ontbrak haar moed, nog stof, Tot uitroeping van Gods lof.

9. Alles wat ook aan hem komt snuiven, Moet voor ‘s Geestes wind verstuiven, En door zijn onzicht’bre kragt, Tot verstrooying zijn gebragt. Wie zig daar durft teegenstellen, In zijn trots, dien zal hy vellen, En weg-stormen in elend, Dat zijn plaats hem zelfs niet kent.

10. Nu ziet men des Ies. 44-3.leevens-stroomen, Lang belooft, ook neederkoomen, En een reine watervliet Iesus op zijn Erff uitgiet. Ps. 68: v. 10.Milden reegen uit der hoogte, Op Gods volk (verdort van droofte,) Neerdaalt, en haar hert bevogt, ‘t Woeste wordt een wáter-togt.

11. Ioan. 4: v. 10.Wáteren van heil en leeven Worden hier vol op gegeeven, Wie daar ooyt van is gedrénkt, Nimmermeer geen ziels-dorst krenkt: Zouden zy ook dorsten konnen? Daar Ioan. 7: v. 38.die wáteren tot bronnen

In hen worden, voor altoos, En voort-springen eindeloos.

12. De fonteinen van haar monden Opgaan; daar zy door verkonden ‘t Heerlijk werk en wond’re daad, Van Gods magtige genaad’, Nu zo luisterrijk gebleeken, Met zoo’n wys en kragtig spreeken, Dat wie deugd is toegedaan, Twyff’len en verstélt doet staan.

II. Ruste.

13. Want men hoort s’ in vreemde taalen Godes wonderen verhaalen, Parther, Méder, Elamiet, Met verbaastheid hoort en ziet, Slegte Galileesche lieden, In hun eigen taal bedieden, ‘t Geen de Geest, die in hen leeft, Elk van hen te spreeken geeft.

14. Schoon het volk van deugd verbastert, ‘t Werk van God beliegt en lastert, En het noemt met spot geklap, Vrugt van ‘t zoete druiven-sap, Zulk gespot blijkt leugenagtig, Petrus woord is hen te magtig, Die vry uit spreekt, als ‘t betaamt, En die lasteraars beschaamt.

15. Van geen wyn, maar Geest beschonken, Door geen most, maar liefde dronken, Geen Apost’len moed beswijkt, Die voor hen een voetstap wijkt; De bestreeden waarheid sterker Dan den opper-leugen-werker

En zijn knegten; zeegenpraalt: Al hun list ten afgrond daalt.

16. Die ‘t aanschouwen, en daar onder, Teffens zien dat groote wonder, Word het hert zoo oovertuigt, Dat het zig voor Iesus buigt; Op een dag drie-duizend zielen Door zijn liefdens-schicht neervielen, Welks doorwondt gemoed zijn leer’ Aanneemt, en hem kent als Heer.

17. Act. 5: v. 29. v. 33. en 41.Of schoon Raad en Priest’ren muiten (Om des Heeren werk te stuiten) Teegen Iesus, en zijn Volk, Hy verstompt haar bitsen dolk; Al hun woeden en hun dreigen Kan hen tot geen afstand neigen; Want zijn min hun zoo verquikt, Dat men voor den dood niet schrikt.

18. Wie kan dan die min bevatten? Die onpeilb’re diepte schatten Naar zijn waerde? Wie bezint Hoe Gods Zoon zijn Volk bemint? Nooyt en hoeft die Schaar’ te vreezen, Want hy laat zijn Volk geen Weezen; Maar hy schenkt zijn Geest en kragt: Zálig Volk dat op hem wagt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.