Wijze: Psal. 33. 1. Geliefde Gods! die van den Vader Verkooren zijt, zijn gunst-genoot! Voor wie des Leevens-Vorst en –Ader.
Zijn Zoon zig willig gaf ter doodt; Die naar uw verlangen, Hebt dien Geest ontfangen, Die thans in u woont: Ia u koos ten tempel, En indrukt dien stempel, Die Gods Beeld vertoont.
2. Geliefde! van de schaar der Vroomen, Van doe af dat gy blijken gaaft, Dat gy den Satan waart ontnoomen, En dat uw ziel’ niet bleev verslaaft Aan de kust der zonden, Als niet meer verbonden Aan haar heerschappy; Maar door Iesus woorden, Die uw hert bekoorden, Nu verlost en vry.
3. Wie kan ooyt uw geluk volprijzen? Gy word gelieft van ‘s Hémels God, Zijn Heiligen, uw min bewijzen, O dierbaar! onwaerdeerlijk lot! Maar dat booven allen, U moet welgevallen, Is dat zelfs uw hert (Door genaê bevoordeelt) U niet meer veroordeelt, Tot uw diepe smert.
4. Uw hert, dat godlyk meede-weeten, Prov. 20: v. 27.Des Heeren-lamp, die in u licht, En onderzoekt uw ziels-secreeten, U niet veroordeelt nog betigt: ’t Kan u niet verdoemen,
Of meer schuldig noemen; God heeft door zijn Geest U reeds vry gesprooken, En uw schrik verbrooken, Wie is ‘t die gy vreest?
I. Ruste.
5. Maar kan des herten vryspraak steunen Op eigen regt of kragt? o neen, Dus zoud men op een riet-straf leunen, Die boorde door de ziele heen; Wie is zonder zonden, Smet en schuld bevonden, Rom. 5: v. 15.Die van Adam sproot? Eph. 2: v. 1-3.Wy zijn erfgenaamen Van Gods toorn te zaamen, Waerdig hel en dood.
6. Ook niet, dat die reeds ‘t quaad verzaaken, En neemen in des Heeren wet Haar hoogst’ en zoetste ziels vermaaken, Gestaadig op zijn dienst gezét, Daar op, zelfs vertrouwen, En haar vry-spraak bouwen: Neen, al wie bestaat, Ier. 39: v. 21.Zonder Borg te naad’ren, Zal zig zelfs vergaad’ren Zielen-angst en smaad.
7. Maar die wiens heer hem vry zal spreeken, Moet by zig zelve zijn bewust, Dat in hem is Ioan. 6: v. 29.Gods ’t Geloove,werk gebleeken: Dat geeft alleen inwendig rust, Dat zy in hun schroomen, Hebben aangenoomen
Iesus dierbaar bloed, d’Eenige voldoening, En alzoo verzoening Vonden in ‘t gemoed.
8. Die by ‘t geloov’, nieuw licht en leeven, En hert verand’rende genaê, Door zijn verdienste is gegeeven, Waar door zijn ziel van ‘t quaad af-staa, En zig op wil draagen, Tot Gods welbehaagen, Als een kind van Godt, Door zijn Geest herbooren, Die zijn wet verkooren Heeft ten erv’ en lot.
II. Ruste.
9. Zoo een heeft een vryspreekent herte, Schoon ‘t ongeloove woelt en raast, ‘t En deert hem niet, ‘t en maakt geen smerte, Een vry gemoed word nooyt verbaastP: In zig t’onderzoeken, Blijkt uit ‘s Heeren boeken, Zijn genaade-staat; Tot God durft hy naaken, En hem kenbaar maaken ’t Geen zijn ziel aangaat.
10. Hoe meer hy in ‘t geloov kan blijven, Hoe meerder vrugten hy vertoont, In al zijn woorden en bedryven, Dat Iesus Geest zijn hert bewoont; Te meer kan hy spoedig, Vroolijk en vrymoedig, Ten genaaden-throon, In begeert’ opstijgen, En dus gunst verkrijgen
In Gods waerde Zoon.
11. Hy is vrymoedig, die durft spreeken, Niet binnens-monds, maar hard en klaar: Zoo is zulk een, zijn beed’ en smeeken Maakt hy ruim-borstig oopenbaar: Vrees kan hem niet hind’ren, ’t Is een geest der kind’ren, Die tot God hem leidt, Als der goedheids Ader, Rom. 8: v. 15.Hy Roept, Abba Váder! Met vrymoedigheid.
12. Vrymoedigen, ‘t aanschyn ontblooten, Dewijl het niet door schaamte swigt: Zoo naad’ren ook Gods gunst-genooten: 2 Cor. 3: v. 18.Met ongedekten aangezicht Zy zijn eer aanschouwen, Die hy doet ontvouwen Voor hun zielen-oog, Tot die glans haar duister, Maakt tot licht en luister, En haar trekt om hoog.
13. Vrymoedigheid, heft op de hoofden, Daar ‘t hoofd der schuldigen hangt neêr: Zoo zijn vrymoedig, die geloofden, Zy heffen ‘t hoofd op, tot haar Heer, Zelfs in swaare plaagen, Als elk is verslaagen, Houden zy nog moed; Want zy zijn gedagtig, Dat Gods hand dan kragtig, Luc. 21: v. 28.Ter verlossing spoedt.
Vrymoedig is, die ‘t geen hy vraagde, En eischt, met regt en magt, zulks doet: Hy cdie gelooft, ook niet vertsaagde, Maar steunt op ‘t regt van Iesus bloedt; Ioan. 1: v. 12.Die tog hem aankleeven, Heeft hy magt gegeeven, Als Gods kind te staan: Wie kan ‘t Regt van zoonen, En van dogt’ren hoonen, En haar eisch afslaan.
III. Ruste.
15. O ‘t is wat groots! tot God te treeden! Vrymoedig! als zijn gunst-genoot, Tot hem te naad’ren met gebeeden, In alle ziels gebrek en nood: ’t Schijnen groote zaaken, Als m’ een Vorst mag naaken In zijns lichhaams druk; Maar tot God te koomen, Als de ziel moet schroomen, Is wel ‘t hoogst geluk!
16. Tot God! zijn stemme op te zenden, ‘t Verlicht’ oog tot hem op te slaan, Zijn hoofd om hoog te durven wenden, Vrymoedig op het regt te staan, ’t Geen Gods Zoon zijn erven Toebragt, door zijn sterven En volmaakte deugd; God zyn God te agten, En te moogen wagten, ’s Hémels vreê en vreugd.
17. Tot God Drie-eenig, regt t’erlangen,
Is ‘t hoogste goed: een dierbaar lot, Is ‘t eens Eph. 3: v. 21.vervulling te ontfangen, Uit al de volheid van die God. Wie kan ‘t heil verhaalen? ’t Is oneindig-maaken, Meer als men verstaat, Eeuwig licht en vryheid, Eindelooze blijheid, Dan de ziel verzaadt.
18. Wat suft gy dan? geliefde kind’ren! Wat schroomt gy? om tot God te gaan? Hoe laat gy u zo ligt verhind’ren Van d’ingewyde leevens baan? Wilt naar God toeloopen, ’t Heiligdom staat oopen, Toon vrymoedigheid, Groot van loon en vrugten, Uitt aan God uw zugten, d’Ingang is bereidt.
Cookies on Poetry Cove