Skip to content
1717

Nuttige besteedinge der afgebrookene uuren

Johannes Outrein

Christus liefde, Vertoont in het lyden der smerten, zyn lichhaam aangedaan in en ontrent de dood des kruices, ten goede van den uitverkoorenen Zondaar. Wijze: Psal. 79. 1. Wel op Gods Volk! wilt nu met lof-zang prijzen Die liefde, die Gods Zoon ons quam bewijzen: Hy schonk zig zelfs, hy gaf zijns lichhaams leeden Vrywillig op aan pyn en smert’lykheden: Hy was de gansche tijd Zijns leevens in veel strijd; Ies. 53: v. 3.Een Man, verzogt in plaagen, In krankheid en verdriet, Zoo dat hem elk aanziet, Als van Gods hand geslaagen.

2. Maar ‘t was Vers. 4.Ons quaad, dat op hem aan moest loopen, Dat had Gods wraak, als borg, op hem doen hoopen;

Wanneer de straff ge-eischt wierd onder schulden, Quam die op hem, hy wil die willig dulden; Vers 5.Zijn straff’ stak in de schee Gods wraak-swaerd, en gaf vreê; Zyn striemen ons geneezen, Het losgeld van zyn bloedt, Het geen Gods regt voldoet, Hebt ons van angst en vreezen.

3. Ies. 50: v. 6.Hy laat uit liefde zig het hair uitplukken, Zijn heilig hoofd een doorne-kroon opdrukken, Mat. 27: v. 29. 30.Die door den Rietstaf, diep daar in gedreeven, Zijn hoofd doorwondt, en ‘t hair van bloed doet kleeven: Men heeft de vuist geligt, En ‘t lieflijk aangezicht, Geslaagen, zeer baldaadig! Hy biedt zijn rugge aan, Die hem met roeden slaan, En geess’len ongenaadig.

4. Hy word vermoeyt, van ‘t heen en weederleiden; Maar dat doet hen niet van hun wreetheid scheiden, Zijn afgematte lyf zy niet ontzaagen, Men legt hem ‘t kruis-hout op, om dat te draagen; Dog ‘t schijnt dat hy beswijkt, En dus haar wraak ontwijkt; Vers 32. Luc. 23: v. 26.Dies dwingt men schielijk eener, Die ‘t opvatt, en hem draa Is Simon den Cyreener.

I. Ruste.

5. Zijn beulen. zijn een hoop Romeinse Krygers, Die in haar bloed-dorst als ontmenschte tijgers! Zijn heilig lichhaam, en zijn reine leeden, Mat. 27: v. 35.Van het gewaad berooven, en ontkleeden. Het kruis wordt opgerigt, Waar aan men hem opligt, Daar hem haar banden knellen; Dewijl zy ‘t heilig lijf Uitrékken wreed en stijf, Ps. 22: v. 15-18.Kan men zijn beend’ren tellen.

6. Mat. 27: v. 34.Gemyrr’te wyn en gall’ word hem geschonken Tot zijnen drank; hy word aan ‘t kruis geklonken Met naag’len, die in hand en voet gedreeven, Doorbooren ‘t vleesch, en doen zijn leeden beeven: Daar vliet het laauwe bloedt, Gelijk het wáter doet, Al tappelings ter aarde: Terwijl zijn ‘s lichhaams wigt Zakt op ‘t doorwondt gewrigt, Waar door ‘t zijn smert verswaarde.

7. De wonden versch doorgrieft, die scheuren oopen, Dat des te meer zijn bloed hem doet ontloopen, ‘t Welk als een stroom, daalt langs zijn teed’re leeden, Dat moet (aan ‘t klamme lijf bestalt) hem kleeden; Elk lichhaams lidt moet zijn In d’allerswaarste pijn: Hy hangt verscheiden’ uuren, En sterft elk oogenblik, Tot aan de langste snik, Tog wil hy ‘t leed volduuren.

Doet hem ‘t ontloopen bloed van dorst versmagten, Met édik komt men zoo een smert verzagten, Dat ‘s al haar gunst! tot dat zijn dierbaar leeven Beswijkt, en al zijn kragten hem begeeven; Dies roept hy in die stand, Luc. 23: v. 46.Myn geest sy in uw hand Bevoolen, God mijn Váder! Daar buigt zijn hoofd, en sterft, Hy, die het heil verwerft, Act. 3: v. 15.Des Leevens Vorst en aader.

9. Daar sterft God-mensch, 1 Cor. 1: v. 8.de Heer der Heerlykheden, Maar nogtans sterft de wraak niet van die wreeden, Belust, zoo hy nog leeft, hem voorts te moorden, Een krygsknegt met een speer zijn zijd’ doorboorden. Ioh. 19: v. 34.Dat is alzoo geschiedt, Op dat haar ooge ziet, Wie van haar is doorsteeken. Het wáter en het bloed Stroomt uit zijn zijd’, dus doet Men hem geen beend’ren breeken.

10. Wat glansch en gloed van min moet niet verbleeken, Als Iesus min daar by word vergeleeken! De Zon moet (van ‘t gezigt beschaamt) beswijken, Zy bergt haar glansch, en laat haar straalen wijken;

Haar aangenaame licht Mat. 27: v. 45.Zelfs op den middah swigt: De aarde voelt men beeven, Den Voorhang stukken rijt, De rotze scheurt en splijt, De dooden ziet men leeven.

11. Een Heiden zelf, een Hooftman oover honderdt, Hoe kloek van moed, verbaast staat en verwondert, En roept: Hy! die daar hangt voor elk ten toone, Was zonder schuld, en wis Gods eigen Zoone! Die Schaar’, die kruist hem riep, Wordt overtuigt, en diep In ‘t hert van smert doorsteeken; Haar hand, van bloed bemorst, Die slaan zy op haar borst, Om ‘t quaad aan zig te wreeken.

12. O Christen Volk! wie word dan niet bewoogen, Als Iesus min, geschildert voor uw oogen, U word vertoont, in ‘t Woord, door klaare schetsen? Voelt gy uw hert van Iesus niet quetsen? ‘t Was om uw zonden-schuld, Dat Iesus smerten duldt: Dat dan zijn dood en wonden Uw vleeschelijk vermaak En lusten kruis’, tot wraak En dood-steek van uw zonden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.