Wijze: Wat woelt de wêreld om den Hémel te bestormen. Uit Lodenstein. Pag. 61. 1. Heb dank, geleerde Heer! voor ‘t zien van uw Gezangen, En Digt-kunst, klaar van zin, zagt vloeyende en zoet, Ik heb daar onderwys en stigting uit ontfangen, Uw gulheid oovertuigt en prikkelt mijn gemoed.
2. Ik heb naar mijn verstand uw weegen naa-getreeden, Die gy my aantoond’ op den schoonen Roosendaal, Uw geestelijk besef van die vermaaklijkheeden, Gaf aan mijn geest een nut en aangenaam onthaal.
3. Ik ben nog booven dien gestigt door uwe leering, Waar in gy geest en kragt vertoond’. en blijken gaaft, Dat gy den zondaar tot geloove en bekeering Aanporde, en met een vermoeyde zielen laaft.
4. Ruth 2: v. 2. en 16.Een hand vol airen, by uw garven opgezaamelt, Vertoon ik u ten dank van uw genooten gunst, Versmaad geen kleine gaav’ al schoon mijn rijmtrant staamelt, Uw liefde dekke toe mijn feilen in de kunst.
5. Den Hemel agtervolg met zijn genaad en zeegen Uw Schrift en Prédik-taal dat blijft de wensch den bee Van hem, die aan u is verpligt, en zig geneegen Vind, en volvaerdig tot uw dienst.
Cookies on Poetry Cove