Wijze: Hoe schoon licht ons de Morgen-ster. 1. O Glorieuze Majesteit! Wiens luisterrijke Heerlijkheidt Met zulk een glans afschittert, Dat wie uw ongenaakbaar licht Aanschouwt, al scheemerende swigt, En voor uw hoogheid sittert: Die door ‘t Gansch Choor, Van uw zalig Volk lieftalig, U hoort roemen, En oneindig heftig noemen.
2. Een zonden-klomp valt u te voet,
Verschoon my, en laat tog den gloedt Uws toorns niet op my blaaken; Ia wensch tot uw Genaaden-throon, In ‘t dierbaar Kruis-bloed van uw Zoon Gegrondvest, te genaaken: Uw oog, Gedoog’ My, om veilig (Schoon onheilig) Toe te treeden, En te off’ren mijn gebeeden.
3. Mijn Beed’ is, dat uw heilig Beeld, Dat tog mijn ziel vermaak en streelt, Meer op my neer mag daalen; Dat door uw Geest des deugds-cieraad, De kragt en vrugt van uw genaad, Van my meer af mag straalen; Want gy Stelt my In verpligting, Om elks stigting, En uw eere Te bevorderen, ô Heere!Q
4. Wat rijkdom van lankmoedigheid, Wat overvloed van goedigheid! Was ‘t, dat gy my gedraagen En wel gedaan hebt, van om-hoog? Van dat ik wierd, hebt gy uw hoog In zorg op my geslaagen: Dat goed, My doet Voor u buigen, En betuigen, Dat al ‘t geene Ik ben, u behoort alleene.
5. Als ik herdénk mijn staat, dien dag Waar in uw gunst eerst op my zag, Doe ik Ezech. 16: v. 6.in ‘t bloed als smoorde,
(Als ouds-tijds Israël in druk Van Pharaoôs swaar tirannig juk) Mijn klagten niemand hoorde, Doe gy Tot my Quaamt in ‘t kermen, Met ontférmen; Moest ik ‘t leeven, Dat gy gaaft, u niet weêr geeven?
6. Doe ‘k nergens meededoogen vond, Doe was het juist uw minne-stond, Gy breid’ op my uw vleug’len, In veel ontférming trouw en goed, Als d’Arend op zijn kiekens doet; Niets kan uw min beteug’len: ‘t Beschouw Dier trouw Doet my hijgen, En opstijgen In begeeren, Om uw waerden naam te eeren.
7. Als ik aanmerk ‘t volzálig schoon Uws zuiv’ren Weezens, in uw Zoon Volmaaktlijk uitgeblonken, Uw heiligheid en menschen-min, Dan zie ik als een afgrond in, Mijn ziel raakt weg gezonken: Wie ziet, Dan niet Dat gy waerdig Zijt, dat vaerdig Lust en kragten, Uwen lof en dienst betragten?
8. Als ik aanschouw dat eeuwig heil My toeegedagt, ‘t is my z steil, Wie kan het regt naa oogen! Eph. 1: v. 4.Voor ‘s wêrelds grond van U bemint Te zijn, ten bloed-prijs van uw kindt,
Ik word’ als opgetoogen, Dat goedt Is zoet, Schoon en dierbaar, Schoon ik ‘t hier maar Scheem’rend’ aanzie, ‘t Past dies dat ik my U aanbiê.
9. Wat heb im lang uw Geest bedroeft, Op ‘t oovertuigend licht vertoeft, Uw Beelds-cieraad te toonen? Wat heeft den zonden-list mijn hart Nog dikmaals in haar strik verwart, En uwen Naam doen hoonen? ‘t Word tijd, Mijn vlijt Scherp te wetten: My te zetten, Om de treeken Van mijn boozen aart te wreeken.
II. Ruste.
10. Als ‘t Euangely stelt ten toon, Dat leevende volmaakte schoon, ‘t Welk uitblonk in den wandel Van Iesus zuiv’re heiligheid, Van deugd doorwrogt en ooverspreidt, Zijn oogmerk, taal en handel: Die glans, Die ‘k thans Sterk belonkte, Die ontvonkte Mijn begeeren, Om van Iesus deugd te leeren.
11. Als ik uw kind’ren, die gezét, Naar ‘t voorschrift van uw liefde-wet, In woord en wandel leeven, Aanschouw: ik zie daar teegen op Als Reuzenm mits zy tot een top Van deugds-glans zijn verheeven; ‘t Smert my, Dat zy My voor-streeven, zoud ik neevens
Haar niet jaagen, Heer! om u dan te behaagen.
12. Uw woord beschrijft hoe ‘t my betaamt, Wil ik een Christen zijn genaamt, My tot u te gewénnen In uwen dienst; want ik uw gunst Verr’ booven menschen kragt of kunst, Gestaadig moest erkénnen, Uw licht, Verpligt My gestaadig, Om kragt-daadig Te vertoonen, Als een licht by elk te woonen.
13. Uw Geest my leerde, dat de deugd De zuiverste en zoetste vreugd Is, die ons kan vermaaken; Het werk waar in een ziele rust, Dat tot zig lokt haar liefd’ en lust, Waar in s’altoos mag blaaken; Dat zoet, ‘t Gemoedt Kan bekooren, En aanspooren Met begeeren, Om u vroolyk te vereeren.
Cookies on Poetry Cove