Opdragt.
Kunt ge in deze enkle en ruwe trekken, Gedrukt in ligt verstuifbaar zand, Getrokken met een losse hand, Den stouten geest mijns vriends ontdekken? Hervindt ge, schoon verstrooid den zin Van 's broeders kunstvermogen in? Een zweem, een schijnsel van zijn wezen? Kunt ge in dit onvoltooide beeld, Waar in een vonkje stervend speelt, Zijn vlammende gedachten lezen?.... Neemt dan, het zij u afgestaan! - Dit offer mijner vriendschap aan! - Verschillend zijn der kunsten talen; Maar aller zin en doel is één, Dringt stout door aller woorden heen, Komt fonklend door haar teeknen stralen.
Al wat het oog of oor verrukt, Zich in het merg der zinnen drukt, En opwekt tot een hooger leven, Is taal der kunst, is Godentaal; Maar meer dan ijdle woordenpraal Moet ons den zin te kennen geven. Wie slechts met klank of teeken speelt, Is schaarsch met kunstgevoel bedeeld. Uw' broeder dacht in zigtbre teekenen, En sprak de beeldspraak der natuur; Hij wist haar kracht, haar licht, haar vuur, In stijl en wending te berekenen. Het geen hij dacht kwam voor zijn oog, Als een tafreel, dat van omhoog Uit ongeziene kringen daalde, En zich door eigen scheppingsdrift, In overal verstaanbaar schrift, Met gloênde Hemelverwen maalde. Heb ik zijn kunsttaal wel verstaan, Neem dan mijn offer gunstig aan; Maar, ô verschoont de taalgebreken! Een vreemdling op zijn grondgebied,
Kende ik dier woorden reeglen niet, En kon slechts door de mijne spreken. Verschoont, wanneer ik, te algemeen, Zijn kunst en, in zijn kunst, alleen Zijn' geest en vindingskracht waardeerde! 'k Vermogt niets meer dan 't geen ik gaf, En 'k bragt het weenende op zijn graf, Toen gij het met een traan vereerde. Meer dan uw lof streelt mij die traan. Ja! neemt het, neemt het weenende aan!
Cookies on Poetry Cove