III.
Het suist en het bruist door het donkere groen,
De struiken rillen en trillen;
Daar blaast de storm zijn forsch klaroen,
De dennen kraken en gillen.
Wat sjirpt of gonst, wat fladdert of kruipt,
Zoekt schielik naar kloven en holen,
En hagedis en padde sluipt
Naar onderaardsche riolen.
En arend en raaf, die heeren des wouds,
Zijn siddrend in hunnen neste,
Zij zien althans maar luttel behouds
In hunner verhevene veste.
Geen strijd thans onder het woudgediert,
Geen haat en geene veede,
Maar ook geen vink, die tiereliert,
Noch krekel tjilpend in vrede!
Dat doet de storm en zijn trawant,
De dwarlende, huilende wieling,
Dat doet de storm, die dwingeland,
Dreigend met dood en vernieling.