Skip to content
1869

Verspreide en nagelaten gedichten

Johan Michael Dautzenberg

VI.

De herfst met zijnen kouden aam Ontbladert de staugste kruinen, Toch houden de stammen zich trotsch, voornaam, Als eerbiedwekkende puinen.

Toch worden de dennen en sparren niet kaal, Verliezen naald noch nagel, Zij eeren hun groen en worden niet vaal, Als 't oovrige boschjanhagel.

Wie stelt in de trouwe heden zijn heil, Wie blijft bij kleur en standert? 't is handige klimop, minnende veil, Streng groen, dat niet verandert.

Maar wie als heil- en levensstar Aanbidt de nood- of broodlist, Verlacht trouw Veil, en acht de Spar Als hout tot zijner doodkist.

Van wat de herfst zoo sissend blaast, Is alles niet te begrijpen, Hij schijnt, als hij door 't loover raast, Een schuifellied te pijpen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.