VI.
De herfst met zijnen kouden aam
Ontbladert de staugste kruinen,
Toch houden de stammen zich trotsch, voornaam,
Als eerbiedwekkende puinen.
Toch worden de dennen en sparren niet kaal,
Verliezen naald noch nagel,
Zij eeren hun groen en worden niet vaal,
Als 't oovrige boschjanhagel.
Wie stelt in de trouwe heden zijn heil,
Wie blijft bij kleur en standert?
't is handige klimop, minnende veil,
Streng groen, dat niet verandert.
Maar wie als heil- en levensstar
Aanbidt de nood- of broodlist,
Verlacht trouw Veil, en acht de Spar
Als hout tot zijner doodkist.
Van wat de herfst zoo sissend blaast,
Is alles niet te begrijpen,
Hij schijnt, als hij door 't loover raast,
Een schuifellied te pijpen.