II.
Over bergen en dalen,
Loopt mijn kronkelend pad,
Verre weg van den zalén
Eener woelige stad.
Stilte heerscht op den lande,
Waar geen kommer ons drukt,
Waar in woud en warande
Vrede en vreugd ons verrukt.
Akkers pronken en weiden
In den heerliksten dos,
Bloemen sieren de heiden,
Loover, wingert en bosch.
Buiten slechts is de wereld
Onverwelkelik schoon,
De aarde spreidt er bepereld
Heure schatten ten toon.
Louter bloemen en bloesem,
Louter leven en licht -
O, mij huppelt de boezem
Bij dit heerlik gezicht.
Bloemen! gaarde ik uw kleuren
In oorspronkliken glans,
'k bood' ze aan God met uw geuren
In 'nen blijvenden krans.