IV.
't mollige zodentapijt en het bonte gebloemte is vernietigd: Woud- en bergplein, dal en bosch staan zonder hun siersel; Langzaam sleept zich de stroom voort onder den drukkenden ijslast; 't donzige sneeuwkleed breidde zich reeds in het verre verschiet uit; Snerpende noordwind woei door 't woud, door de wei en het braakland, Dat het gepiep en gefluit heenvlood naar mildere luchtstreek. Maar ofschoon eentonigheid heerscht in onstuimigen winter, Zij ontrukt hem edoch niet alle bekorelikheden. Wie en bewonderde nooit in dien huivrigen dagen een landschap, Waar zacht vlok op vlok is gesneeuwd tot maagdliken zwaandons? Vonkelend dringt, door helder azuur schuinstralend, het zonlicht, En men ontdekt alom goudstarren en zilverkristallen, Rijklik verspreid op het statige kleed der verhevene schepping. Nooit was 't veld zoo schoon, nooit droeg het een blinkender tooisel, Noch in den kiemenden tijd, noch toen als het prijkte vol rijkdom. Ziet wat zilvergespin zich slingert om naakte gewassen, Hoe elk uiterste puntjen der teedere twijgjens 'nen druppel. Eene gesmoltene, wederbevrozene perel ten toon spreidt, En voorwaar, gij ontveinst u nimmer de schoonheid des winters. Laat vrij huilen den wind en woeden in wervlenden stofsneeuw, 't landvolk schaart zich saam bij der vriendelik vlammende haardstee.
Immers ze vreezen gebrek noch kou, die zich helpend vereenden In het gezellige leven, die bronne des wereldschen welzijns.
Wordt niet terwijl de aarde uitrust, 't werk overlegd veur de toekomst? Wordt niet des pachthofs minste gereedschap ernstig bezichtigd? Riemen van palinghuiden herbinden den stok en den vlegel, Buigbare teenen herstellen de leemten der noodige stuifwan. Daverend klinkt nu in tripplender maat de gezegende dorschvloer, Wervelend vliegt het verstuivende kaf ter opene poort uit, En vergenoegd meet straks de gelukkige pachter den voorraad. Ja, vergenoegd doorwandelt hij weder de schuur en den schaapstal, Werpt dan den blik voldaan op paard, op veulen en melkkoe; Slijt in eigengewonnenen schat zijn bezaligend leven.
Ziet, zóó heb ik gekend, zóó kennend, gezongen den landman, Heb al dichtend met hem doorloopen den nuttigen werkkring. Ver van der stad, in vrede en geestrust, sleet ik de jonkheid, Dies omgoochelt me trouw het geluk dier zonnige dagen.
Vlaanderen wete mij dank, dat ik waagde het deftige speeltuig, Door Virgilius eens zoo lieflik besnaard en zoo krachtvol, Zingend te tokklen ter eer zijns nooit volprezenen landbouws!
Cookies on Poetry Cove