I.
Zalig gewest, dat tegen den storm des verbolgenen aardrijks Zijnen olijfboom schut en beschermt met schittrender eendracht! Zalig gewest, waar jeugdige kunst op den-velde zich neervlijt, Om er Virgilius lier te besnaren ter eere des landbouws!
Wie in den zweete des aanschijns 't eerste den akker bewerkte, Die ook leide ter ware beschaving den eeuwigen grondsteen; Dies ontving hij goddelike eer bij den volken der oudheid, Wie 't ploeghout uitvond en Ceres' gave verbreidde.
Thans troont veldbouwkunst niet alleen in zuidliker luchtstreek, Vlaanderens grond teelt weelderig graan in rijker hoeveelheid, Teelt bij het nuttige tevens den zinnenbetoovrenden bloemschat, Teelt, trots ijzigen winter, de troetelgewassen des zuidens.
Nauwliks verheft zich, als bode der lente, de juublende leeuwrik Boven het groenend tapijt in des pachthofs lachenden omtrek; Nauwliks ontsluiten de spruitjens van Flora de poorten des voorjaars, Of men ontwaart alreede den veldwaarts schrijdenden landman. Naast hem trekt een gespan jongbloediger paarden den wagen, Welke den gronde de stoffen ter vruchtbaarmakinge toevoert. Ginds volgt jeugdiges moeds, vergezeld van knechten en meiden, 's landmans oudere zoon met spade gewapend en gaffel. Liefelik stijgt het eenvoudige lied dier veldlingen opwaarts; Zoel is de lucht; dra kleurt zich de wei met smaragd en karbonkel; Louter genot veur hen, wier leven den velde gewijd is. Spitten en ploegen, en zaaien en eggen is voller bezwaarnis, Maar die bezwaarnis is mildlik vergoed in den vrooliken zaaitijd. Veur wien tooit zich de naadrende lente in het groenige bruidskleed, Gansch doorweven met bloemen, versierd als statig fluweellint? Veur wien blinkt door het teedere loof die zilverne bloesem? Veur wien schiet uit reinen azuur de verguldende zonne? Veur den bewoner des veldes, den vlijtigen akkerbezorger.
Schoon, ja prachtig is Godes natuur vooral in het voorjaar; Treffend is tevens de wenk door den Schepper den menschen gegeven:
Vreugd en beweging alom, alom ook iever en arbeid. Ziet, hoe het vogelken zoekt naar voedsel of stof tot den nestbouw; Ziet, hoe het bieken zich plaget ten beste des noesten gezelschaps; Ziet, hoe de vlinderen ijlen ter frisch ontlokene bloemkroon: Vreugd en beweging ziet ge, doch ziet gij ook iever en arbeid. Jongling, benut u den wenk, dien al het geschapene toejuicht: Ploegt in der lente des levens en zorgt veur den komenden vruchttijd. Reeds doortintelt een straal van allesverwinnender liefde U d' onervarenen boezem; bereidt u een vroolik vooruitzicht Over uw lentegebied op de stoppelwoestijne des najaars!
Cookies on Poetry Cove