VII.
De winterwind, die 't woud doorfloot,
Kever en vlinder verstrooide,
Heeft olm en eik en beuk ontbloot
Van alles wat hen tooide.
Palmyra's zuilenrijen in puin -
Getuigen verledener weelde -
Verheffen niet minder droef de kruin,
Dan 't woud, dat eens mij streelde.
Palmyra's gruis bedelft gewis
Schatten van maren en sagen,
En 't woud? zoo menig geheimenis
Van liefde- en lentedagen!
Nu sneeuwt de winter op mijn hoofd,
Als op de kruinen der boomen,
Hij heeft den gloed der jeugd mij geroofd
En mijne jeugdige droomen.
Een blaadjen kon, een keurig lied,
Eens mijnen Mei verfraaien,
Zal de eerste winter mij nu niet
Met blad en lied verwaaien?